Een bezitsvorm ontstaat wanneer je aan een zelfstandig naamwoord de letter -s (bezits-s) toevoegt. Daarbij geldt wél de regel dat het grondwoord (het woord waaraan je de -s gaat toevoegen) niet eindigt op een lange klinker of een sisklank. In dit geval is er sprake van een regelmatige vorm. Voorbeeld:
- vaders auto
- tantes fiets
- Vondels werken
Lange klinker, dan 's
Wanneer het grondwoord eindigt op een lange klinker, wordt de letter -s door middel van een apostrof (') gescheiden van het grondwoord. Dit komt voor bij enkele klinkerletters (a, e, i, o, u, y) die uitgesproken worden als lange klinkers (aa, ee, enzovoort).
De apostrof wordt in dit geval gebruikt om een verkeerde uitspraak van de bezitsvorm te voorkomen. Voorbeelden van -s met apostrof:
- oma's breiwerk
- Otto's jas
- baby's luier
Sisklank, dan alleen apostrof
Zodra een naam eindigt op een sisklank, voeg je alleen een apostrof toe. Dus geen letter -s. Hiermee voorkom je vreemde woordbeelden, zoals Riess auto (Ries' auto). De regel geldt voor elke sisklank: s, ce, ge, sh, x*, z*. Voorbeelden:
- Mies' achtertuintje
- Maurice' slaapkamer
- George' beleidsplan
- Bush' beleidsplan
- Alex' droomprinsesje
- Yilmaz' geit
Ook als het grondwoord eindigt op een -s die niet wordt uitgesproken, voeg je alleen een apostrof toe:
Alexandre Dumas' eerste maîtresse was Catherine Labay.
*Een naam die eindigt op een z of een x die niet wordt uitgesproken, krijgt een vaste -s:
Deprezs filosofie
Dutrouxs slachtoffers
Naar
boven
Congruentie
Als het onderwerp enkelvoudig
is, dan dient de persoonsvorm dat ook te zijn. Ze moeten in getal overeenkomen;
ze moeten congruent zijn. Een paar voorbeelden:
1) Ik
(ow) ga (pv)
zwemmen.
(onderwerp en persoonsvorm zijn beide enkelvoud, dus congruent.)
2) Wij
(ow) gaan (pv)
zwemmen. (onderwerp
en persoonsvorm zijn beide meervoud, dus congruent.)
3) Jan en Maria
(ow) gaan
(pv) zwemmen.
(onderwerp en persoonsvorm zijn beide meervoud, dus congruent.)
4) Mark (ow) hebben
(pv) vanavond
een blunder begaan (onderwerp en persoonsvorm verschillen, dus incongruent.)
Let op!
Als het onderwerp bestaat uit een zelfstandig naamwoord dat voorafgegaan wordt
door een ander zelfstandig naamwoord dat een aantal of hoeveelheid
aangeeft, is er sprake van enkelvoud. In dat geval moet de persoonsvorm óók
enkelvoudig zijn.
Een aantal mensen (ow) heeft (pv)
gestemd.
Een grote hoeveelheid rommel (ow) belandde
(pv) in de prullenbak.
Drie procent van de aanwezigen (ow) is
(pv) tegen het besluit.
Een massa kanshebbers (ow) heeft (pv)
zich ingeschreven.
Meervoudig
onderwerp en tóch een enkelvoudige persoonsvorm
Soms komt het voor dat een meervoudig onderwerp een enkelvoudige persoonsvorm
krijgt. In die gevallen is incongruentie niet fout:
- Harten is troef. (Harten staat voor één van de vier kaartsymbolen.)
- De VS ging niet akkoord. (De afkorting verwijst naar één
land.)
- Groot en klein was aanwezig. (Groot en klein is iedereen, en iedereen
is enkelvoud.)
- De NS breidt uit. (De afkorting verwijst naar één instelling.)
- B & W ging overstag. (De afkorting verwijst naar één
leidinggevende instantie.)
Schrijf je de afkortingen echter voluit, dan is congruentie verplicht:
- Burgemeester en wethouders gingen overstag.
- De Nederlandse Spoorwegen breiden uit.
- De Verenigde Staten gingen niet akkoord.
Nevenschikking
en tóch een enkelvoudige persoonsvorm
Normaal krijg je bij nevenschikking een meervoudige persoonsvorm, zodat er sprake
is van congruentie. Toch zijn er uitzonderingen, bijvoorbeeld:
- Kop en schotel stond klaar.
- Haat en nijd is aan de orde van de dag.
Naar
boven
Contaminatie
Het woord contaminatie betekent
eigenlijk versmelting. Je laat twee woorden of uitdrukkingen
met vrijwel dezelfde betekenis met elkaar versmelten tot een nieuw woord of een
nieuwe uitdrukking.
Voorbeelden op woordniveau:
- Optelefoneren is een samensmelting van opbellen
en telefoneren
- Uitprinten is een samensmelting van printen
en uitdraaien
- Rondcirculeren
is een samensmelting van rondgaan en circuleren
Voorbeelden van uitdrukkingen:
- Dat maakt geen verschil uit is een samensmelting
van dat maakt geen verschil en dat
maakt niets uit
- Hij zit oog in oog tegenover zijn vriend
is een samensmelting van hij zit oog in oog met...
en hij zit tegenover zijn vriend
- Een visje opgooien is een samensmelting
van een visje uitwerpen en een
balletje opgooien
- Dat
kost duur is een samensmelting van dat kost
veel en dat is duur
Naar
boven
Contradictio
in terminis
Contradictio in terminis is
een stijlfout waarbij er sprake is van een tegenstrijdigheid.
- Het Utrechtse team werd eerste na Eindhoven. ('Werd eerste' is in tegenspraak
met 'na Eindhoven'.)
- Een van de beste voetballers vergat te scoren. (Er kan er maar één
de beste zijn.)
- De meeste gevangenen kwamen
vrij, maar niet nadat ze een jaar vastgeketend hadden gezeten aan een paal. (Eerst
wordt gezegd dat de gevangenen vrij komen, terwijl bij 'maar niet' wordt gesuggereerd
dat dat niet zo is.)
Naar
boven
Dan
of toen?
We wisten dat we vanaf dan/toen
in de gaten gehouden werden. Is
het hier nu 'dan' of 'toen'? Het antwoord is simpel.
Dan
heeft betrekking op de toekomst: We weten dat we vanaf dan
in de gaten gehouden worden.
Toen heeft betrekking op het verleden: We wisten
dat we vanaf toen in de gaten gehouden werden.
Naar
boven
Ontkenning
/ dubbele ontkenning / proleptische ontkenning
Zinnen maak je meestal ontkennend
door het bijwoord 'niet' te gebruiken. Soms doe je dat ook met woorden als 'geen'
of 'zonder'. Een ander mogelijkheid is het gebruik van werkwoorden die al een
ontkenning in zich hebben: ontraden, verbieden, ontmoedigen, et cetera.
Het ontkennend maken van een zin levert soms problemen op. Hieronder volgen
enkele voorbeelden.
Dubbele
ontkenning
Onder een dubbele ontkenning verstaat men het in één zin plaatsen
van twee afzonderlijke woorden die elk een negatieve betekenis hebben:
Ik heb nooit geen
gelegenheid gehad om te studeren. Nooit geen betekent zoveel als altijd.
De zin moet dus luiden:
Ik heb nooit
de gelegenheid gehad om te studeren.
Proleptische ontkenning
Wanneer je een zinsdeel ten onrechte te ver naar voren plaatst, is er sprake
van een proleps. Een voorbeeld:
Ik hoop
niet dat het gaat sneeuwen.
Hier is het woord 'niet'
te ver naar voren gehaald. In feite zeg je hiermee dat je iets niet hoopt, terwijl
je wél iets hoopt, namelijk dat het niet gaat sneeuwen. Dit is een proleptische
ontkenning. De zin had dan ook moeten luiden:
Ik
hoop dat het niet gaat sneeuwen.
Bij andere werkwoorden veroorzaakt de te vroege plaatsing van het woord 'niet'
geen proleps, bijvoorbeeld:
Ik verwacht dat Cees niet komt.
Ik verwacht niet dat Cees komt.
Hier is het verschil tussen beide zinnen te verwaarlozen.
Andere fouten die gemaakt worden, vloeien voort uit het gebruik van het woord
'niet' of 'geen'. Voorbeeld:
Elke verandering is geen verbetering.
Niet elke verandering is een verbetering.
Beide zinnen kunnen voorkomen, maar dan wel in geheel verschillende contexten.
Nog een voorbeeld:
Elke socialist is niet sociaal.
Hier had natuurlijk moeten
staan: Niet elke socialist is sociaal.
Naar
boven
Dubbele
punt
Een dubbele punt kondigt
iets aan, bijvoorbeeld een citaat, een opsomming of een verklaring.
- Jan zei: "Eindelijk speelde hij weer eens een goede wedstrijd."
- De agenda is als volgt:
aaa1. opening
aaa2. ingekomen stukken
aaa3. notulen
aaaenzovoort
- Kortom: er is nog hoop.
Hoofdletter na dubbele punt
- Een citaat na een dubbele punt begint altijd met een hoofdletter (Maike riep:
"Ik ga niet mee.")
- Opsommingen die uit meerdere volledige zinnen bestaan krijgen na een dubbele
punt een hoofdletter.
aaaEr werd als volgt besloten:
aaa- Het lokaal wordt grondig aangepakt.
aaa- Alle deuren worden voorzien van een degelijk
slot.
aaa- Leerlingen mogen pas naar binnen als de bel
is gegaan.
In alle andere gevallen krijgen de delen van een opsomming géén
hoofdletter.
Ook wanneer de opsomming een verklaring inleidt, volgt een kleine letter (Nu
wisten ze het zeker: dit moesten ze vaker
doen.)
Naar
boven
Ellips
Er is sprake van een ellips
wanneer in een zin vitale grammaticale onderdelen weggelaten zijn. Een voorbeeld
van zo'n zin is:
Handdoeken
in je tassen!
In deze zin ontbreekt zowel
de persoonsvorm als het onderwerp. Er had kunnen staan:
Jullie moeten je handdoeken
in je tassen doen!
Ellipsen zijn niet per definitie
fout. Sterker nog, ze kunnen de zeggingskracht van een mededeling soms zelfs
vergroten. Vooral in krantenkoppen zie je vaak ellipsen. In die gevallen draait
het vaak om drie dingen die weggelaten worden:
1) De persoonsvorm ontbreekt
- voltooid deelwoord zonder persoonsvorm:
- Mensenrechten in Indonesië (worden) met voeten getreden.
2) Lidwoorden ontbreken:
- (De) Staking verbroedert (het) personeel.
3) Naast lidwoorden ontbreken voor de hand liggende voorzetsels:
- Balkenende wil (het) behoud (van de) hypotheekaftrek bespreken.
Naar
boven
Figuurlijk
en letterlijk taalgebruik
Soms kun je woorden niet letterlijk
nemen. Zo'n woord wordt dan figuurlijk gebruikt. Het is dan een vorm van beeldspraak.
Een andere keer kun je een woord wel letterlijk nemen. Als voorbeeld nemen we
de volgende zin: Mickey zit in de put.
Deze zin kun je zowel letterlijk
als figuurlijk gebruiken.
1) Mickey is echt in de put gevallen of gekropen en zit daar dus letterlijk in.
Je kunt haar zien zitten.
2) Mickey heeft een onvoldoende behaald voor rekenen. Ze maakt zich nu veel zorgen.
Ze voelt zich ongelukkig.
Bij 1 is er sprake van een echte waarneming; je kunt het daadwerkelijk zien dat
ze daar zit.
Bij 2 is er sprake van een gevoelstoestand; het is ongrijpbaar.
Andere voorbeelden van letterlijk
en figuurlijk taalgebruik:
Letterlijk - Jan is mager. (Je kunt daadwerkelijk
zien dat Jan niet dik is.)
Figuurlijk - Dat rapportcijfer is mager. (Hier heeft
mager niets te maken met de dikte. Bedoeld wordt dat het cijfer matig is.)
Figuurlijk
- Het was een zware bevalling. (Je kunt de bevalling niet op een weegschaal leggen.)
Letterlijk - Die koffer is zwaar. (Hij weegt veel.
Dat kun je controleren door hem op de weegschaal te leggen.)
Een figuurlijke betekenis kom je ook tegen bij uitdrukkingen:
- Er is geen man overboord, als het niet op tijd
klaar is.
- Door hem ben ik nu mooi de sigaar.
- Hij woont in het hart van de stad.
Naar
boven
Gedachtestreepje
Een gedachtestreepje gebruik
je als je een zin onderbreekt met een korte zin (of een deel daarvan). Voor en
na het streepje komt een spatie.
Het gedachte streepje heeft meerdere functies:
1) een 'terzijde' inlassen: Toen hij om zijn geld vroeg - en dat niet voor
het eerst - kreeg hij nul op het rekest.
2) zin of zinsdeel extra benadrukken: U krijgt - als u vandaag nog bestelt
- het tweede
pakket gratis.
3) een onverwachte wending markeren: Hij had zijn huis beveiligd - en achteraf
bleek dat hard nodig.
Voor of na een gedachtestreepje komt geen komma.
Je kunt het gedachtestreepje vervangen door een komma óf door haakjes:
U krijgt, als u vandaag nog bestelt, het tweede pakket gratis.
U krijgt (als u vandaag nog bestelt) het tweede pakket gratis.
Naar
boven
Geslacht
Woorden met
de volgende uitgangen zijn altijd vrouwelijk:
-heid, -nis, -schap (waarheid
- kennis - beterschap)
-de, -te (liefde - diepte)
-ij, -erij, -arij, -ernij (voogdij - rijmelarij)
-ing, -st {achter een werkwoordstam} (wandeling
- winst)
-ie, -tie, -logie, -sofie, -agogie (familie - filosofie
- demagogie)
-iek, -ica (muziek - logica)
-theek, -teit, -iteit (discotheek - puberteit
- subtiliteit)
-tuur, -suur (natuur - censuur)
-ade, -ide, -ode, -ude (tirade - periode)
-age, -ine, -se (tuigage - discipline - analyse)
-sis, -xis, -tis (crisis - bronchitis
- syntaxis)
Vrouwelijk
- woorden met veel verschillende achtervoegsels als -heid,
-schap, -teit, -sis,
et cetera
- aanduiding van vrouwelijke personen en dieren (secretaresse - kip)
Mannelijk
- woorden met achtervoegsel -aar, -er,
en -erd (eigenaar - koster - zeperd)
- zelfstandig gebruikte werkwoordstammen (dank)
- aanduiding van mannelijke personen en dieren (ouderling - ezel)
Vrouwelijk
én mannelijk
- de meeste voorwerpsnamen (bank, kast)
- algemene aardrijkskundige namen en hemellichamen (stad, zon)
- zelfstandig gebruikte bijvoeglijk naamwoorden (zieke)
- persoonsnamen voor mannen en vrouwen te gebruiken (baanloze)
Onzijdig
- verkleinwoorden (tientje)
- werkwoordstammen met voorvoegsel be-, ge- en ont- (beraad)
- namen van landen en steden
Tip:
Zelfstandige naamwoorden die in het enkelvoud vervangen kunnen worden door hij
of hem, zijn mannelijk.
Zelfstandige naamwoorden die in het enkelvoud vervangen kunnen worden door zij,
ze of haar zijn vrouwelijk.
Zelfstandige naamwoorden waarvoor het lidwoord het geplaatst kan
worden, zijn onzijdig.
Naar
boven
Haakjes
(ronde)
Ronde haakjes worden veelal
gebruikt om iets in te voegen, namelijk:
- een verduidelijking - U kunt zich melden bij
de receptie (van 10.00 uur tot 17.00 uur)
- een verklaring - De vergadering is verschoven
naar juni (in verband met het overlijden van de voorzitter)
- een toevoeging - De middenvelder (die nog altijd
geblesseerd is) wordt verkocht aan de hoogste bieder.
Het gedeelte tussen haakjes kun je zien als achtergrondinformatie, dit in tegenstelling
tot die delen die tussen gedachtestreepjes staan. In die gevallen gaat het meer
om het benadrukken van het deel tussen de streepjes.
Naar
boven
Hiaat
Volgens Van Dale zijn er twee
betekenissen voor het woord hiaat:
1) het op elkaar stoten van twee klinkers (om dit te voorkomen besloot men de
tussen-n in te voegen: kippeëi - kippenei)
2) plaats waar iets ontbreekt
In dit geval gaan we in op nummer twee: plaats waar iets ontbreekt. Door het ontbreken
van een woord of een woordgroep, kan de zin onlogisch klinken. Enkele voorbeelden:
Zijn huis ligt dichter bij het stadion dan van zijn broer. (Hier kunnen
interpretatieproblemen optreden)
Zijn huis ligt dichter bij het stadion dan dat
van zijn broer.
Op de deur hing een briefje dat deze vergrendeld was. (Bijzin sluit niet
goed aan bij de rest van de zin)
Op de deur hing een briefje waarop stond
dat deze vergrendeld was.
De reden dat hij niet gekomen is, is dat hij ziek was.
De reden van het feit dat hij niet gekomen
is, is dat hij ziek was.
Naar
boven
Hoofdletter
en kleine letter
Hoofdletters
schrijf je in de volgende gevallen:
1. Bij het eerste woord van een zin. Uitzonderingen
hierop zijn:
* Als het eerste woord begint met een apostrof. In dat geval begint het tweede
woord met een hoofdletter
('s Nachts wordt hij altijd
wakker.)
* Als de zin begint met een cijfer. (250 voetbalvandalen opgepakt.)
2. Bij eigennamen. Dit
zijn namen van personen, landen, provincies, straten, kranten, wetten, geschiedkundige
periodes, etc.
(Mateja Kezman, Nederland, Utrecht, Philips, Dorpsstraat,
Eindhoven, Calvé pindakaas, Trouw, WAO, etc.)
* Als er bij een naam van een persoon een voorletter of voornaam staat, schrijf
je het voorvoegsel met een kleine letter.
(Mark van Bommel, J. de
Groot, maar: de heer De Groot, Van
Bommel)
* Bij namen van het opperwezen (Allah zij geprezen,
Hij is groot!)
3. Bij bijvoeglijke namen die
zijn afgeleid van eigennamen. (Eindhovense voetbalclub, Utrechts, Zuid-Franse
kaas)
4. Bij een citaat. (Hij zei: "Dat
is goed." - "We gaan naar huis",
zei hij.)
5. Bij titels, rangen e.d. (Hare
Majesteit koningin Beatrix
der Nederlanden groet de voorzitter van de Tweede
Kamer.)
6. Afgekorte namen die als woord worden uitgesproken, krijgen
alleen een beginhoofdletter (Arbo, Unicef, Rai, Cito.)
Kleine letters
gebruik je in de volgende gevallen:
1. Als
je bij een eigennaam niet meer aan een persoon denkt
(achillespees, voltmeter - maar: Achilles
en Volt)
2. Bij soortnamen (een stukje edammer, een dampende
havanna - maar: Edam en Havanna)
3. Bij
samenstellingen met religieuze feesten
(kerstdiner, paasvakantie - maar: Kerst
en Pasen)
4. Bij windstreken (oosten, noordwesten)
5. Bij afleiding van geschiedkundige periodes (middeleeuws
)
6. Bij namen van seizoenen, maanden of weekdagen
(zomer, herfst, maart, april, dinsdag)
Mocht je toch nog twijfel hebben over het wel of niet plaatsen van een hoofdletter,
kijk dan in het woordenboek.
Naar
boven
Hyperbool
en parabool
Bij een hyperbool is er
sprake van overdrijving. Voorbeelden zijn:
- De regen viel met bakken
uit de lucht.
- Hij is bliksemsnel.
- Die discussie duurde eeuwen.
Het tegenovergestelde van
hyperbool is parabool. In dat geval verklein je de gebeurtenis. Voorbeeld:
- Dat moet je met een korreltje zout nemen.
Naar
boven
Gezegde
(naamwoordelijk gezegde en werkwoordelijk gezegde)
Het gezegde zegt
altijd iets over het onderwerp. Het kan een handeling
betreffen, maar ook een toestand waarin het onderwerp
zich bevindt. Er zijn twee soorten gezegden:
1. werkwoordelijk gezegde
2. naamwoordelijk gezegde
Werkwoordelijk gezegde
- Omvat alle werkwoorden in een zin
- Zegt iets over de handeling die het onderwerp doet
Voorbeelden:
Jan heeft een boek geschreven.
Harry heeft zijn saaie leven kunnen
ontvluchten.
Naamwoordelijk gezegde
- Bevat een koppelwerkwoord + een naamwoordelijk deel (zelfst. nmw.
óf bijv. nmw.)
- Zegt iets over wat het onderwerp is, wordt, blijft, blijkt, schijnt, et cetera
- Vraag je af 'wat' het onderwerp is, wordt, blijft, blijkt, schijnt, et cetera
Voorbeelden:
Het vierde boek wordt (koppelww.)
een succes (naamwoordelijk deel)
J.K. Rowlings is (koppelww.)
schatrijk (naamwoordelijk
deel)
Ze blijft (koppelww.)
eenvoudig (naamwoordelijk
deel)
Koppelwerkwoorden
zijn:
zijn (is), worden, heten, blijven, schijnen, lijken, blijken, dunken en vóórkomen
Als je twijfelt of je met een koppelwerkwoord te maken hebt, probeer dan het woord
te vervangen. Lukt dat, dan is er sprake van een koppelwerkwoord. Kijk maar naar
het volgende voorbeeld:
De kaars is wit
De kaars blijft wit
Voorbeelden nwg en wwg:
Het leek
een mogelijkheid. (nwg)
Hij haalde ons in.
(wwg) (Let op: 'in' hoort ook bij het ww-gezegde. Je kunt namelijk het
woord 'inhalen' maken.
Zij scheen in de war. (nwg)
Zij heeft haar hoofd verloren.
(wwg)
Is Rembrandt een beroemde
schilder (uit de zeventiende eeuw?) (nwg)
Naar
boven
Hoofd-
en (beknopte en uitbreidende) bijzinnen
Een samengestelde zin kan bestaan uit:
1. Twee hoofdzinnen
met een voegwoord ertussen. In beide zinnen staan de persoonsvorm
en het onderwerp naast elkaar:
Claudia gaat naar school en Richard
blijft bij zijn oma.
2. Een samengestelde zin kan bestaan uit een hoofdzin
én een bijzin:
Claudia vond dat niet leuk (= hoofdzin)
toen ze dat hoorde (= bijzin).
Let dus op:
- Bij een hoofdzin staan pv
en onderwerp naast elkaar (er kunnen geen andere zinsdelen tussen)
- Bij bijzin kunnen er tussen
pv en onderwerp wel andere zinsdelen staan
Ter illustratie nog een voorbeeld:
Ibrahim (ow) gaf
(pv) Mijke een hand (= hoofdzin) toen hij (ow) haar
ontmoette (pv) (= bijzin).
'Haar' staat hier tussen het onderwerp en de persoonsvorm
in.
Tip: Een bijzin kun je vervangen door een zinsdeel
zónder pv:
Ik zet de muziek aan zodra ze hier zijn --->
Dan zet ik de muziek aan. De bijzin 'zodra
ze hier zijn' vervang je door het woord 'Dan'.
Beperkende en uitbreidende bijzinnen
Bijzinnen kun je onderverdelen in:
- Beperkende/beknopte
bijzin: deze bijzin kun je niet weglaten omdat hij relevante informatie
bevat
- Uitbreidende bijzin: deze bijzin kun je weglaten
zonder dat je belangrijke informatie verliest
Voorbeelden van uitbreidende bijzinnen:
Sinaasappels, die oranje zijn, kun je eten.
(Hier kun je 'die oranje zijn' zonder gevolgen weglaten.)
Computers, die snel kunnen rekenen en een groot geheugen
hebben, zijn populair bij de jeugd. (Ook hier kun je de bijzin zonder
gevolgen weglaten. Het belangrijkste is tenslotte dat computers populair zijn
bij de jeugd.
Voorbeelden van beperkende/ beknopte bijzinnen:
Sinaasappels die met gif zijn ingespoten, kun
je niet eten. (Hier kun je de bijzin niet weglaten. Het gaat juist om díe
bepaalde soort sinaasappels.)
Computers die meer dan 10.000 euro kosten, zijn
tegenwoordig bijna niet meer te slijten. (Ook hier kun je de bijzin niet weglaten.
Het gaat in deze zin juist om díe dure computers.) Zie
ook: beknopte bijzin.
Naar
boven
Ieder
of elk?
Ieder en elk zijn synoniemen.
Dat betekent dat het in principe niet uitmaakt welk van de twee je gebruikt. Toch
zijn er voorkeuren.
Ieder(e) gebruik je in het geval van personen:
Iedere jongen droomt ervan brandweerman te worden.
Elk(e) gebruik je wanneer het niet om personen
gaat: Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.
Elk(e) gebruik je tevens als het om een kleine groep
gaat (zowel bij personen als niet-personen):
Elk van de drie reservespelers had een blessure.
Hier is sprake van een kleine groep.
In elk oor zat een piercing. HIer is sprake
van een kleine groep. Daarnaast gaat het niet om personen.
Naar
boven
Infinitief
- Infinitief is het hele
werkwoord dat géén persoonsvorm is (je kunt het dus niet
in een andere tijd zetten)
- Eindigt altijd op een -en (voorbeelden: verwachten,
omkleden, melden,
fietsen)
Voorbeeld met het werkwoord 'zwemmen':
- Wij zwemmen in zee. Zwemmen is hier de
persoonsvorm. Je kunt het in een andere tijd zetten, dus geen infinitief.
- Wij gaan zwemmen in zee. Hier is 'zwemmen'
wel infinitief, want nu is 'gaan'
de persoonsvorm. (Merk op dat je 'zwemmen' niet in een andere tijd kunt zetten.)
Een werkwoord dat achter 'te'
staat, is altijd een infinitief: Hij staat te wachten;
hij loopt te ijsberen.
Naar
boven
Directe,
indirecte en semi-directe rede
Directe rede:
In een directe rede geef je andermans woorden/zinnen helemaal letterlijk weer.
- Zij zei: "Ik stuur deze vraag maar naar Taalverhaal."
Die letterlijke aanhaling maakt dus deel uit van de zin waarin je haar meedeelt.
Het is een zinsdeel geworden (nl. lijdend voorwerp). Sprekend laat je een korte
pauze vallen voor de aanhaling. Om de lezer te waarschuwen zet je de letterlijke
aanhaling (het citaat) na een dubbele punt tussen aanhalingstekens.
Indirecte
rede:
In een indirecte rede geef je andermans woorden/zinnen niet helemaal letterlijk
weer, maar in een vorm, die aangepast is aan je zin.
- Zij zei dat ze de vraag maar naar Taalverhaal zou sturen.
Kenmerkend is dat dergelijke citaten eigenlijk in een soort rompzin staan: zij
zei, hij vroeg, wij vonden enz.
Semi-directe rede:
Je hebt tot slot nog een tussenvorm, die erlebte Rede of semi-directe rede wordt
genoemd:
- Ze ging die vraag maar naar Taalverhaal sturen, zei ze.
Hier is de volgorde van de oorspronkelijke vraag aangehouden (als hoofdzin), maar
de tijd en de persoon zijn aangepast.
Naar
boven
Eufemisme
/ dysfemisme / vulgarisme
Eufemisme
Een eufemisme is een verzachtende omschrijving van iets wat onaangenaam wordt
gevonden. Voorbeelden zijn:
De dierenarts heeft de hond laten inslapen. - Hij heeft de hond gedood.
Het personeelsbestand moet worden afgeslankt. - Er worden mensen ontslagen.
Dysfemisme
Een dysfemisme is het tegenovergestelde van eufemisme. In dit geval is de omschrijving
beledigend, grof of spottend. Voorbeelden zijn:
Hij is een oude knar.
- HIj is een bejaard persoon.
Hij is ladderzat. - Hij is dronken.
Hij is de pijp uit.. - Hij is dood.
Vulgarisme
Een vulgarsime gebruik je om te shockeren door middel van ordinair taalgebruik.
Voorbeelden zijn:
Loop niet te zeiken.
- Loop niet te zeuren.
Dat eten is niet te pruimen. - Dat eten smaakt totaal niet.
Naar
boven
Ik
of mij / jij of jou / hij of hem / zij of haar / wij of ons / zij of hen (hun)
Het kan gebeuren dat je niet
weet of je nu ik of mij moet schrijven in een zin als: jij bent
veel sterker dan ik/mij. En wat te denken van een zin als: jullie lezen meer boeken
dan wij/ons. Schrijf je hier nu wij of ons? Nog een zin: hij voetbalt
vaker dan zij/haar. Is het nu zij of haar?
Het antwoord is simpel te vinden: vul achter het woord waarvan jij denkt dat dat
het juiste is, het werkwoord in dat in de zin staat en lees de zin vervolgens
hardop. Op dat moment hoor je precies welk woord je moet kiezen. Het kan niet
missen.
- Jij bent veel sterker dan ik (ben).
- Jij bent veel sterker dan mij ben.
- Ik ben langer dan jij (bent).
- Ik ben langer dan jou bent.
- Zij is muzikaler dan hij (is).
- Zij is muzikaler dan hem is.
- Jullie lezen meer boeken dan wij (lezen).
- Jullie lezen meer boeken dan ons lezen.
- Hij voetbalt vaker dan zij (voetbalt).
- Hij voetbalt vaker dan haar voetbalt.
Naar
boven
Vervoegen:
kan of kunt / zal of zult / hebt of heeft
Een aantal woorden in de Nederlandse
taal kan worden vervoegd met de tweede of de derde persoon. Wanneer schrijf je
nu 'kan' en wanneer schrijf je 'kunt'?
Voorbeeld: Je kan/kunt via Amsterdam rijden.
* Als 'je' de algemeen verwijzende betekenis heeft van 'men', schrijf je 'kan'
(derde persoon).
* Als 'je' staat voor 'jij', gebruik je 'kunt' (tweede persoon).
- Je (men
- derde persoon)
kan via Amsterdam rijden.
- Je (jij
- tweede persoon)
kunt via Amsterdam rijden.
Bij zal/zult geldt hetzelfde verhaal.
- Je (men - derde
persoon) zal dat moeten betalen.
- Je (jij - tweede
persoon) zult dat moeten betalen.
'Hebt' of 'heeft'?
Zowel hebt als heeft
kan gebruikt worden in een zin als: Hebt/Heeft u geld voor mij?
De voorkeur gaat echter uit naar 'hebt' (tweede persoon).
Let op: als je kiest voor de tweede persoon, dan moet je die keuze ook consequent
toepassen bij de wederkerende werkwoorden:
- realiseert u uzelf
- verzekert u uzelf
- u hebt u vergist
(Uitzondering omwille van de leesbaarheid: 'Hebt u zich
vergist?' in plaats van 'Hebt u u vergist?')
Naar
boven
Komma
vóór 'en'
Je plaatst
een komma vóór het woord 'en' wanneer het ontbreken van die komma
tot misverstanden kan leiden. Een
voorbeeld:
Jan
zag een zeehond die dol is op kabeljauw en haringen in een ton.
Voor de
lezer is de zin helder. Jan zag een zeehond die dol is op twee soorten vis,
namelijk kabeljauw en haringen.
Maar de
schrijver bedoelde het wellicht anders. Misschien wilde de auteur duidelijk
maken dat Jan niet alleen een zeehond zag, maar ook nog een stelletje haringen
in een ton. Zonder
komma komt zijn bedoeling niet uit de verf, omdat het (nevenschikkend) voegwoord
'en' de twee vissoorten aan elkaar verbindt. Met
komma lukt het wel om de bedoeling duidelijk te maken. Kijk maar:
Jan
zag een zeehond die dol is op kabeljauw, en haringen in een ton.
Nu verbindt
het voegwoord 'en' de dol op kabeljauw zijnde zeehond en de haringen in een
ton aan elkaar. De komma maakt duidelijk dat de betrekkelijke bijzin ... die
dol is op kabeljauw ... bij de zeehond hoort.
Dankzij
de komma lees je nu in het kort gezegd:
Jan
zag een zeehond en haringen in een ton. Hij zag twee verschillende
soorten dieren.
Je kunt
in het hierboven besproken geval spreken van een niet-bedoelde betekenis.
Er kan nog
een ander misverstand optreden. Kijk maar naar het volgende voorbeeld.
Hij
zag er tijdens zijn vijfdaagse verblijf meerdere in de eerste en tweede nacht
en de derde nacht bleek ook niet zonder vallende sterren te zijn verlopen.
In dit geval
word je als lezer even op het verkeerde been gezet. Je krijgt namelijk de neiging
te denken dat '... en de derde nacht ...' onderdeel uitmaakt van de opsomming.
Wanneer je echter doorleest, zie je dat '... en de derde nacht..'. een nieuwe
mededeling aankondigt.
In dit geval
werpt het ontbreken van de komma een leesprobleem op. Een komma vóór
'en' had een dergelijk leesprobleem kunnen voorkomen.
Naar
boven
't
Kofschip
Bij zwakke werkwoorden in de verleden tijd moet
er de ene keer -de en de andere keer -te
achter het woord komen te staan. Het kan voorkomen dat je twijfelt welk van de
twee er nu achter moet. In dat geval kan 't kofschip van pas komen. Het werkt
als volgt:
We nemen het zwakke werkwoord 'wuiven' als voorbeeld. De vraag is: schrijf
je dat woord in de verleden tijd nu als 'wuifte'
of als 'wuifde'? Het antwoord vind je als volgt:
1. Kijk eerst naar het hele werkwoord (= wuiven)
2. Kijk welke letter er vóór de uitgang
-en zit. In ons voorbeeld is dat de -v
(wuiv-en)
3. Kijk of die letter (de -v) in 't kofschip voorkomt.
Is het antwoord ja? Schrijf dan stam
+ te(n). (De -n plaats je als het gaat om meervoud)
Is het antwoord nee? Schrijf dan stam
+ de(n)
De letter -v komt in 't kofschip niet voor. Dat betekent dus dat we stam
+ de schrijven. De stam van 'wuiven' is 'wuif'.
Daar voegen we -de aan toe. Het antwoord is dus:
wuifde (Hij wuifde
ons gedag.)
Nog een voorbeeld, maar nu met het zwakke werkwoord 'surfen'. We volgen weer de
regels 1 t/m 3.
1. Het hele werkwoord is 'surfen'
2. We zien dat de letter -f
vóór de uitgang -en staat
3. De letter -f komt
in 't kofschip voor, dus het antwoord is 'ja'. Dat betekent dat je stam
+ te schrijft: Hij surfte...
Naar
boven
Koppel-
of scheidingsteken
Het koppel- of scheidingsteken
gebruik je in vier situaties:
1) scheiding van samenstellingen die moeilijk herkenbaar zijn (zee-egel)
2) scheiding van samenstellingen van een buitenlands en Nederlands woord of begrip
(clearing-systeem)**
3 om gelijkwaardigheid van een samenstelling weer te geven (christelijk-historisch)
4) in vaste uitdrukkingen om te laten zien dat deze één geheel vormen
(doe-het-zelver, kant-en-klaarpakket)
**Voor ingeburgerde buitenlandse woorden gelden dezelfde regels als voor Nederlandse
woorden: aaneenschrijven in samenstellingen (databasesysteem, managementcursus
- pas als er onduidelijkheid ontstaat mag het koppelteken tussengevoegd worden:
front-office-automatisering).
Naar
boven
Leestekens
Punt
- Gebruik je om het einde van een zin aan te geven
- Gebruik je bij afkortingen
Uitroepteken
- Gebruik je na een bevel of uitroep (Kom onmiddellijk hier!
Alle hens aan dek!)
Vraagteken
- Gebruik je om een vragende zin af te sluiten (Hoe laat is het?)
Dit doe je alleen bij directe vragen. Bij indirecte vragen plaats je geen vraagteken
(Jan vroeg hoe laat het was.)
Komma
- Gebruik je tussen twee persoonsvormen (Als het meezit,
wordt PSV kampioen.)
- Gebruik je tussen de delen van een opsomming (schoenen,
sokken en een overhemd *na het voorlaatste deel geen komma)
- Gebruik je tussen twee bijvoeglijke naamwoorden die vóór een zelfstandig
naamwoord staan (Die heldere, blauwe zee...)
- Bij vermelding van een aangesprokene (Eva, is
dat waar? Dat is goed, Henk. Ik raad je aan,
Theo, om het te doen.)
- Bij een uitbreidende bijzin (Sinaasappels, die
oranje zijn, kun je eten.)
- Bij een bijwoordelijke bijzin (Toen hij aankwam,
gingen de fans uit hun dak.)
- Voor en na een tussenzin (Die doelman, we spraken
al eerder over hem, is niet zo goed als we dachten.)
Dubbele punt
- Gebruik je om aan te geven dat er een letterlijke aanhaling, een opsomming,
een omschrijving, een toelichting of verklaring komt.
Puntkomma
- Gebruik je als twee of meer op elkaar aansluitende zinnen op een bepaalde wijze
in verband staan met elkaar (Ik wil vandaag vrij;
mijn baas vindt dat maar niets. *aan beide kanten van de puntkomma staat een
hoofdzin)
Aanhalingstekens
- Gebruik je als je letterlijk opschrijft wat iemand zegt
(citaat: "Dat is vreemd",
zei Thea.)
- Om aan te geven dat een of meerdere woorden niet in de normale betekenis ervan
worden gebruikt *in dit geval gebruikt men bij voorkeur enkele aanhalingstekens
(Van zo'n 'vriend' moet
je het maar hebben.) Zie
ook: Aanhalingstekens.
Naar
boven
Leenwoorden
Leenwoorden zijn woorden die uit een andere taal in het Nederlands zijn terechtgekomen.
Voor de meeste leenwoorden zijn geen spellingsregels te geven. Voor een paar Engelse
en Franse woorden zijn wat hulpmiddeltjes, maar bij twijfel is het verstandig
het woordenboek te pakken
Engelse
leenwoorden
Engelse leenwoorden hebben net als Nederlandse woorden één klemtoon
(beautycase, mountainbike, slowmotion, maar: black
power, mixed grill)
Koppelteken
in Engelse leenwoorden
- Als in een samenstelling twee klinkers naast elkaar komen, dan gebruik je
het koppelteken: body-art (net als
in het Nederlands)
- Als een Engelse samenstelling eindigt met een voorzetsel dat met een klinker
begint, gebruik je een koppelteken: drop-out,
push-up)
Engelse
werkwoorden
Engelse werkwoorden zijn in het Nederlands altijd zwak en je vervoegt ze net
als Nederlandse werkwoorden.
- In de tegenwoordige tijd schrijf je STAM
of STAM + T: ik race, hij racet, ik rugby, hij
rugbyt
- In de verleden tijd gebruik je 't kofschip (laatste letter vóór
-en, maar alleen -n weghalen: racen en rugby wordt: ik racete, ik heb geracet,
ik rugbyde, ik heb gerugbyd
Franse
leenwoorden
- Franse leenwoorden krijgen alleen een accent als dat voor de uitspraak nodig
is (er komen alleen accenten op de letter -e: paté, volière,
maar ragout, compote.
- Een Franse é in de eerste lettergreep
verliest zijn accent: depot, defilé, etage, elite
- De vrouwelijke vorm van woorden op -é
eindigt op -ee: logé - logee, prostitué - prostituee, introducé
- introducee
- Franse woorden die nog vreemd zijn in het Nederlands, houden al hun accenten:
au sérieux, déjà vu, maar serieus
Accenten
é = accent aigu (logé, attaché)
è = accent grave (carrière, confrère)
^ = accent circonflexe (bêta, enquête
- vervalt bijna altijd bij klinkers a, o, u)
Trema
- Wanneer gebruik je een trema? Wanneer onduidelijkheid kan bestaan over uitspraak:
reünie, beïnvloeden
- Wanneer ontbreekt het trema? Dat ontbreekt wanneer er geen uitspraakproblemen
dreigen
- Ontbreekt in woorden van Nederlandse herkomst wanneer twee i's op elkaar stoten:
voltooiing, buiig,
heiig, draaiing, etc.
Naar
boven
Los
of aaneen
De regel is dat woorden die
één begrip vormen één woord zijn en dus aan elkaar
vast worden geschreven: prentbriefkaartententoonstelling, waterpomptang, langetermijnproces,
vitrinekast...
Als één woord schrijf je in ieder geval:
- woorden die aan elkaar gekoppeld zijn met de verbindingsletters
-s, -e of -en: doktersadvies,
horlogemaker, boerendochter.
- twee delen van een splitsbaar werkwoord die in
dezelfde volgorde staan als in de infinitief (Omdat hij mij uitschold,
heb ik met hem afgerekend. Hij scheldt
uit wie hij wil, ik reken af met
wie ik wil.)
- woorden die gemaakt zijn van er,
hier, daar of waar
plus een
voorzetsel:
ervoor, erop, hierna, hiernaartoe, daarover, daartegenover, waarom, waardoor.
Soms plaats je een koppel- of scheidingsteken. Zo'n teken plaats je in de volgende
gevallen:
1. in woorden die onoverzichtelijk worden (huis-aan-huisblad,
doe-het-zelfwinkel)
2. tussen twee klinkers die je samen kunt uitspreken
(na-apen, zo-even)
3. bij letters, cijfers, andere tekens en St. of
Sint (x-factor, 55-plusser, &-teken, Sint-Nicolaas)
4. bij aardrijkskundige namen, of woorden die daarvan
zijn afgeleid (Noord-Frankrijk, Zuid-Hollandse, Nieuw-Zeelander)
5. in woorden met ex-, pro-, non-, niet-, oud-, anti- (bij anti- alleen als
het woord erna begint met een hoofdletter: anti-Duits, maar antivries, antiburgerlijk).
(ex-man, non-profit, niet-roker, oud-voorzitter)
Let op! In al hun wijsheid hebben de taalfreaken die de jongste Woordenlijst Nederlandse Taal hebben samengesteld, besloten om voorvoegsels als loco-, quasi-, vice-, privé- en semi- direct aan het woord te koppelen, dus zonder streepje: locoburgemeester, quasinonchalant, vicedirecteur, privéterrein en semiautomatisch. Mogelijk hebben ze het idee dat mensen met dyslexie wel van een beetje pijn houden. Een uitzondering op deze laatste taaldwaling, is wanneer twee klinkers met elkaar botsen: privé-initiatief, pseudo-intellectueel, vice-eersteminister. Mijn advies: gebruik lekker dat streepje!
Tip 1. Let op woorden als 'teveel'
en 'tekort'. Deze schrijf je alleen aan elkaar vast
als ze als zelfstandig naamwoord worden gebruikt:
'het tekort is aardig opgelopen', maar...
'dat is te kort door de bocht', of 'hij
heeft te veel geld', maar... 'hij heeft het
teveel opgemaakt'. Hetzelfde geldt voor 'tegoed'
en 'te goed': 'ik heb nog geld te goed', maar...
'het tegoed krijg ik morgen pas'.
Andere veelvoorkomende vormen van los of aaneen zijn:
- tenslotte (ik heb welbeschouwd niets gedaan) /
ten slotte (ter afsluiting)
- zojuist (het is net gebeurd) / is het zo
juist (is het zo goed?)
- zover (zover je het kunt zien) / zo
ver (is het zo ver weg?)
- tenminste (althans, dat dacht ik) / ten
minste (het is op zijn minst ongelukkig te noemen)
- weleens (dat komt soms voor) / wel
eens (hij wil dat wel eens meemaken)
Tip 2. Je schrijft degene, datgene, dezelfde,
hetwelk, maar... die zelfde en een zelfde.
Getallen
Het aaneenschrijven van getallen, kent specifieke regels:
1. Getallen
van 0 t/m 100 worden aan elkaar geschreven
- anderhalf, drieëntwintig, zevenenvijftig,
drievierde, negenentachtig, maar... honderd en twee, tweehonderd en zesentwintig,
drieduizend zeshonderd vierentwintig.
2. De getallen 1 t/m 100 gevolgd door -honderd, -duizend
worden aan elkaar geschreven
- dertienhonderd, zevenentwintigduizend, maar...
drieënvijftig miljoen.
Naar
boven
Lidwoorden
Er zijn drie lidwoorden: de,
het, een
Lidwoorden horen altijd bij zelfstandige naamwoorden. Soms staan er één
of meer woorden tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord.
De
Is een bepaald lidwoord.
Een zelfstandig naamwoord waar de bij hoort,
is een vrouwelijk (v) of
een mannelijk (m) zelfstandig naamwoord.
Het
Is een bepaald lidwoord.
Een zelfstandig naamwoord waar het bij hoort,
is een onzijdig zelfstandig naamwoord. Soms is het
geen lidwoord, maar een persoonlijk voornaamwoord. (Hij heeft het
gedaan.)
Een
Is een onbepaald lidwoord.
Het lidwoord een past bij alle zelfstandige naamwoorden. Je spreekt het uit als
'un'. Als je het uit kunt spreken als één,
dan is het geen lidwoord (maar een telwoord).
Zie ook: 'De' en 'het'
Naar
boven
Meewerkend
voorwerp
Er zijn meerdere manieren om
het meewerkend voorwerp in een zin te vinden:
- de woorden 'aan' of 'voor'
staan ervóór (en je kunt ze weghalen)
- je kunt de woorden 'aan' of 'voor'
ervoor zetten
Let op: 'aan'
of 'voor' moet wel de betekenis 'bestemd voor' hebben!
Als het een meewerkend voorwerp is waarin 'aan' of 'voor' voorkomt,
dan staat deze meestal aan het einde van de zin.
Als 'aan' of 'voor' er niet bij staat, staat het meewerkend voorwerp
nooit aan het einde van de zin.
Een paar voorbeelden:
Wim geeft de bal aan Piet.
Ik koop een ring voor mijn vriendin.
Sjaak geeft Wilma zijn fiets.
Madonna geeft Mickey een toegangskaart.
Nog twijfel?
Heb je nog twijfel bij het vinden van het meewerkend voorwerp? Probeer dan eens
het woord 'aan' ervoor te zetten of weg te laten. Lukt dit, dan heb je
te maken met een meewerkend voorwerp. Een voorbeeld:
1. Dirk
vroeg Jan een vuurtje. Hiervan kun je maken:
Dirk vroeg aan Jan een vuurtje.
2. Mieke
stuurde een brief aan haar moeder. Hiervan kun
je maken: Mieke stuurde haar moeder een brief.
In zin 1 zie je dat je 'aan' kunt toevoegen zonder dat de zin krom wordt.
Je hebt dus te maken met een meewerkend voorwerp.
In zin 2 lukt het om het woord 'aan' weg te laten zonder dat de zin krom
wordt. Wel heb je de woordvolgorde moeten veranderen. Dus ook hier heb je te maken
met een meewerkend voorwerp.
Naar
boven
Lijdende
vorm en bedrijvende vorm
Een zin met een werkwoordelijk gezegde, kun je in de bedrijvende
vorm (een actieve zin) of in de lijdende
vorm (een passieve zin) weergeven. Laten we
eens kijken naar de volgende zinnen.
1. Jan
onderhoudt de tuin van mijn zuster.
2. De
tuin van mijn zuster wordt door Jan onderhouden.
Zin 1 staat in de bedrijvende
vorm. In deze zin is 'Jan' het onderwerp. Jan is de persoon die
de handeling verricht. Het lijdend voorwerp in deze zin is 'de tuin van mijn
zuster'.
Zin 2 staat in de lijdende
vorm. Nu geeft het onderwerp ('De tuin van mijn zuster') aan wie
(of in dit geval wat) de handeling ondergaat.
Kijk nog eens goed naar zin 2. Er vallen drie dingen op, namelijk:
1. Waar 'de tuin van mijn zuster' in zin 1
nog lijdend voorwerp
was, is dit zinsdeel nu onderwerp geworden.
2. Er is een vorm van 'worden'
of 'zijn' toegevoegd. In dit geval is dat 'wordt'.**
3. Het woordje 'door' is erbij gekomen. Het
is geplaatst vóór het woord dat in zin 1 nog onderwerp was (Jan).
Daarmee heb je een bijwoordelijke bepaling
aan de zin toegevoegd; je hebt extra informatie gegeven.
**Let op! 'Worden' gebruik je in de onvoltooide
tijden. 'Zijn' gebruik je in de voltooide
tijden.
Bovengenoemde drie punten zijn dan ook je gereedschap om een actieve zin om te
zetten in een passieve zin. Een voorbeeld:
Veronderstel, je hebt de volgende (actieve) zin: De boer melkt de
koe.
In deze zin is de koe het lijdend voorwerp,
want: wie/wat + gezegde + onderwerp = de koe
Maak nu een nieuwe zin waarbij je het lijdend voorwerp
voorop zet. Je begint je zin dus met: De koe...
Dit wordt dan meteen het onderwerp.
Vervolgens voeg je een vorm van 'worden' of 'zijn' toe. In dit geval
nemen we het woord 'wordt'. Je krijgt dan:
De koe wordt... (De koe = onderwerp,
wordt = persoonsvorm)
Voeg nu het woordje 'door' toe, gevolgd door
de boer (het
onderwerp in de actieve zin) .
Je hebt nu een bijwoordelijke bepaling
toegevoegd (door de boer). Je hebt nu:
De koe wordt door de boer...
Nu hoef je er alleen nog maar het woord 'gemolken' achteraan te plakken.
De passieve zin luidt dan:
De koe wordt door de boer gemolken.
Je hebt de zin nu veranderd van een actieve zin naar een passieve zin.
Samenvattend kun je zeggen dat je een actieve zin
(met lijdend voorwerp) kunt omzetten in een passieve
zin door:
1. het lijdend voorwerp voorop te zetten en het ook
nog eens onderwerp te maken en...
2. een vorm van 'worden' (onvoltooide
tijd) of 'zijn' (voltooide tijd) toe te voegen
en...
3. het woordje 'door' voor het in de actieve
zin zijnde onderwerp te plaatsen (je maakt er dus een
bijwoordelijke bepaling van)
Naar
boven
Mits
of tenzij?
Mits
gebruik je in de betekenis van 'op voorwaarde dat'. Je kunt het woord ook vervangen
door 'indien'.
Ik ga met je mee, mits jij de benzine betaalt.
Tenzij gebruik je in de betekenis van 'behalve
als'.
Ik ga met je mee, tenzij ik de benzine moet betalen.
Naar
boven
Morfemen
/ prefix / infix / suffix
Morfologie = taalkunde
die de woordvorming bestudeert.
Een muur is opgebouwd uit
afzonderlijke stenen. Hoe groter de muur, hoe groter het aantal stenen dat erin
zit. Een woord is ook opgebouwd uit 'stenen'. Ook hier geldt: hoe uitgebreider
het woord, hoe meer bouwstenen je nodig hebt.
De bouwstenen van een woord
worden morfemen genoemd. Een morfeem is het kleinste betekenisdragende element
in een woord. Zo'n element staat helemaal op zichzelf; je kunt het niet meer
splitsen. Het is één bouwsteen.
Er
zijn drie soorten morfemen:
1. stammorfeem
2. flexiemorfeem
3. afleidingsmorfeem
Stammorfeem
Een stammorfeem is een morfeem dat een helder omlijnde betekenis heeft. Je kunt
de betekenis heel duidelijk omschrijven. Het kan daarom dan ook als een zelfstandig
woord voorkomen. Het kan dus dienst doen als een woord. Wanneer je van twee
of meer van zulke morfemen een nieuw woord vormt, spreek je van een 'samenstelling'.
Een voorbeeld:
- Huis = één stammorfeem - dit woord
kun je niet meer splitsen, dus is één steen.
- Huisdeur = twee stammorfemen: huis
& deur. Het zijn twee woorden/stenen (die aan
elkaar geplakt zijn).
- Huisdeursleutel = drie stammorfemen: huis
& deur & sleutel.
Het zijn drie woorden/stenen (die aan elkaar geplakt zijn).
Het woord 'huisdeursleutel'
is dus niet meer dan een samenstelling (van drie stammorfemen). De definitie
van een samenstelling is... een woord dat bestaat uit delen die ook los kunnen
voorkomen. En daarmee is het cirkeltje dus rond. Nog een voorbeeld:
Zaalhandbalclub = zaal /
hand / bal / club = vier stammorfemen. Dit hele woord is dus een samenstelling
van vier aan elkaar geplakte, maar afzonderlijk te gebruiken woorden/stenen
(vier morfemen) die stuk voor stuk niet meer gesplitst kunnen worden.
Het wil echter niet zeggen
dat je er geen bouwstenen meer aan toe kunt voegen. Aan huisdeursleutel kun
je bijvoorbeeld nog de flexiemorfemen -tje en -s toevoegen. Dan krijg je het
woord huisdeursleuteltjes. Bij zaalhandbalclub
is het niet anders: zaalhandbalclubjes. Hier voeg
je -je en -s toe. Verdere informatie over het flexiemorfeem vind je hieronder.
Flexiemorfeem
Het kenmerk van een stammorfeem is dat het een woord vormt dat je afzonderlijk
én in een samenstelling kunt gebruiken. Aan dat woord kun je een heldere
betekenis geven. Een flexiemorfeem kun je niet als zelfstandig woord gebruiken.
Je kunt er ook geen heldere betekenis aan geven. Een flexiemorfeem is het gevolg
van een vervoeging of verbuiging van een woord. Een paar voorbeelden:
- doeken:
doek = stammorfeem + -en = flexiemorfeem (-en is geen woord en je kunt er geen
betekenis aan geven). Samen zijn het twee bouwstenen.
- daders: dader = stammorfeem + -s = flexiemorfeem
(-s is geen woord en je kunt er geen betekenis aan geven). Samen zijn het twee
bouwstenen.
- gewerkt: werk = stammorfeem + -t = flexiemorfeem
(-t is geen woord en je kunt er geen betekenis aan geven). Je ziet hier ook
nog ge- onderstreept staan. Ook dit is een morfeem, namelijk een afleidingsmorfeem.
Dat wordt verderop besproken. Het betekent dat dit woord uit drie bouwstenen/morfemen
bestaat.
- 's nachts: -'s = flexiemorfeem + nacht = stammorfeem
+ -s = flexiemorfeem (-'s en -s zijn geen woorden en je kunt er geen betekenis
aan geven) ('s is overigens een naamval).
Afleidingsmorfeem
Afleidingsmorfemen staan meestal vooraan of achteraan in het woord (maar ook
soms in het midden). Je komt ze tegen bij afleidingen (afleiding bestaat uit
een grondwoord + voor-, achter- of tussenvoegsel).
Er zijn drie soorten afleidingsmorfemen:
1. prefix
(deze staat vóóraan, dus voorvoegsel)
2. infix (deze staat in het midden, dus tussenvoegsel)
3. suffix (deze staat áchteraan, dus achtervoegsel)
Prefix
- on (betekenis 'niet'): onkruid, onding, onmens, onweer
- wan (betekenis 'slecht' of 'verkeerd'): wandaad, wanprestatie, wanhoop
- ge (betekenis 'terugkerende' of 'voortdurende handeling') geblaf, gedoe, gejuich
En zo zijn er nog heel veel
prefixen.
Infix
- en -: krantenartikel
Suffix
- schap: vriendschap, beterschap, eigenschap, vaderschap
- dom: eigendom, bisdom, hertogdom
- heid: blijheid, schoonheid, afstandelijkheid
Let op:
al het bovenstaande heeft niets met lettergrepen te maken!!
Tot slot:
Is het achtervoegsel -st, -heid, -is, -ing, -schap, -de, -te of -ij, dan is
het een vrouwelijk woord.
Voorbeeld:
stammorfeem is vang + st (suffix) = vangst = vrouwelijk.
winst = win (stammorfeem) + -st (suffix) = winst = vrouwelijk
Naar
boven
Naamvalsvormen
De verbuiging in naamvallen
van het zelfstandig naamwoord, het bijvoeglijk naamwoord, het lidwoord en de voornaamwoorden
is grotendeels verdwenen in het Nederlands. In het verleden werden in onze taal
naamwoorden wél verbogen. Het Nederlands kende vier naamvallen:
1e naamval: nominativus (naamval van het onderwerp)
2e naamval:genitivus (ter aanduiding van een bezitsrelatie
3e naamval: dativus (naamval van het meewerkend voorwerp)
4e naamval: accusativus (naamval van het lijdend voorwerp)
Daarnaast volgde op een aantal voorzetsels de derde naamval en op een aantal andere
voorzetsels de vierde naamval.
Het zelfstandig naamwoord kende drie verbuigingen. In het enkelvoud mannelijk
en vrouwelijk zag de verbuiging er als volgt uit:
|
|
lidwoord |
bijvoeglijk
naamwoord |
zelfstandig
naamwoord |
|
1e |
de |
mooie |
man |
| Mannelijk |
2e |
des |
mooien |
mans |
|
3e |
den |
mooien |
manne |
|
4e |
den |
mooie |
man |
|
|
lidwoord |
bijvoeglijk
naamwoord |
zelfstandig
naamwoord |
|
1e |
de |
jonge |
vrouw |
| Vrouwelijk |
2e |
der |
jonge |
vrouw |
|
3e |
der |
jonge |
vrouw |
|
4e |
de |
jonge |
vrouw |
Naamvalsrelicten
In bepaalde vaste uitdrukkingen komen de naamvallen in onze taal nog voor. Die
uitdrukkingen worden naamvalsrelicten genoemd. Enkele van die (veelgebruikte)
naamvalsrelicten zijn:
- aan den lijve
- in groten getale
- te uwer beschikking
- ten laste van
- op staande voet
- in den vreemde
- in der minne
Dergelijke uitdrukkingen vind je vooral in ambtelijke en clichématige taal.
Vermijden is daarom het advies! Gebruik je ze toch, let dan op de juiste schrijfwijze
van de naamval. Gebruik bij twijfel het woordenboek!
Resten van het naamvalgebruik
Binnen veel woorden vind je ook resten van het naamvalgebruik:
- destijds - ternauwernood - tentoonstelling - tenminste - heterdaad - desnoods
Naar
boven
Nevenschikking
Bij nevenschikking
worden gelijke grammaticale eenheden met elkaar verbonden. Daarbij wordt gebruikgemaakt
van een nevenschikkend voegwoord. Voorbeelden zijn:
2 hoofdzinnen
(Ik kom straks terug en ik
begin dan onmiddellijk aan de klus) (Beide zinnen hebben een voor-pv)
2 bijzinnen (Ik beloof dat ik morgen naar huis kom
en dat ik meteen aan de slag ga) (Beide
bijzinnen hebben een achter-pv)
2 woordgroepen (Hij was een goede echtgenoot
en toegewijde vader) (In dit geval hebben
beide groepen een zelfst. nw. als kern)
2 woorden (Hitte en ontbering
maakten het tot een zware opgave)
Naar
boven
Nevenschikkend
voegwoord
Het nevenschikkend
voegwoord verbindt twee gelijke grammaticale eenheden, namelijk:
2 hoofdzinnen: Ik kom straks terug en
ik begin dan onmiddellijk aan de klus. Beide
zinnen hebben een voor-pv.
2 bijzinnen: Ik beloof dat ik morgen naar huis kom
en dat ik meteen aan de slag ga. Beide
bijzinnen hebben een achter-pv.
2 woordgroepen: Hij was een lieve echtgenoot
en begripvolle vader. In dit geval hebben
beide groepen een zelfst. nw. als kern.
2 woorden: Storm en regen
maakten het tot een zware opgave.
Naar
boven
Om
(het gebruik van)
Het woord 'om' gebruik je om
een doel aan te geven.
- Hij heeft alles in het werk gesteld om de dief
te pakken.
- Hij was te jong om dat te beseffen.
Je laat het weg als er een doelaanwijzend woord aan
voorafgaat.
- Hij kwam met de bedoeling hun een afstraffing
te geven.
- Hij koesterde de wens nog eenmaal te schitteren.
Naar
boven
Onderschikkend
voegwoord
Het onderschikkend voegwoord
staat steeds aan het begin van een bijzin, die deel uitmaakt van een hoofdzin,
of een bijzin van hogere orde. Het leidt een bijzin in en verbindt daarmee afhankelijke
mededelingen met de hoofdzin. Daarnaast kom je een aantal onderschikkende voegwoorden
tegen met te + infinitief.
Veel gebruikte onderschikkende voegwoorden zijn 'dat' en 'of':
Ik zeg dat ik volgende week vrij neem.
Het is de vraag of mijn baas dat zal toestaan.
Als ik morgen vrij neem, ga ik naar het voetballen.
Ik kom om de winkel af te sluiten.
(te + infinitief)
Door hard te werken
bereik je veel. (te + infinitief)
Onderschikkende
voegwoorden kunnen allerlei betekenisverhoudingen uitdrukken, zoals:
- tijd (terwijl)
- reden (omdat)
- oorzaak (doordat)
- gevolg (zodat)
Let op: sommige voegwoorden zien eruit als voorzetsels. De functie is echter bepalend.
Staat het woord aan het begin van een zin, dan spreek je van een voegwoord. Staat
het woord aan het begin van een woordgroep, dan is het veelal een voorzetsel.
Naar
boven
Onderwerp
Als je de persoonsvorm van
een zin gevonden hebt, kun je op zoek gaan naar het onderwerp. Een onderwerp kan
uit één of meerdere woorden bestaan. Er zijn twee manieren om het
onderwerp te vinden:
1. Stel
de volgende vraag: wie
of wat + gezegde? Het antwoord op die vraag is het onderwerp.
- Johan Vogel voetbalt bij PSV. Wie voetbalt? Johan
Vogel.
- Het bedrijf verhuist morgen. Wat verhuist morgen? Het
bedrijf.
2. Verander
de persoonsvorm van getal (enkelvoud/meervoud) en kijk welk woord mee moet veranderen.
- Morgen vertrekken de
Eindhovense voetballers naar Utrecht.
- Morgen vertrekt de
Eindhovense voetballer naar Utrecht.
Naar
boven
Onderwerpszin
/ lijdendvoorwerpszin / bijwoordelijke bijzin / meewerkendvoorwerpszin / voorzetselvoorwerpszin
Een bijzin is een zinsdeel
van de hoofdzin. Vaak kun je zo'n bijzin vervangen door één woord.
Er zijn verschillende soorten bijzinnen:
- onderwerpszin
- lijdendvoorwerpszin
- bijwoordelijke bijzin
- meewerkendvoorwerpszin
- voorzetselvoorwerpszin
Onderwerpzin
Een onderwerpszin is een bijzin die de functie van onderwerp heeft. Een voorbeeld:
Dat zij geen zin heeft, is heel begrijpelijk.
Dat is heel begrijpelijk.
Wat je gedaan hebt, kan nooit meer goedgemaakt
worden.
Dat kan nooit meer goedgemaakt worden.
Lijdendvoorwerpszin
Een lijdendvoorwerpszin is een bijzin die de functie van lijdend voorwerp heeft:
Hij vertelde me dat zijn vrouw borduurt.
Hij vertelde me iets.
Bijwoordelijke bijzin
Een bijzin die de functie van bijwoordelijke bepaling heeft, noemen we een bijwoordelijke
bijzin:
Toen ik jou zag, sloeg mijn hart op hol.
Toen sloeg mijn hart op hol.
Meewerkendvoorwerpszin
We reserveerden een plaats voor de laatkomers.
(Aan) wie de meeste punten heeft, geef ik een
beker.
Voorzetselvoorwerpszin
In zinnen met een voorzetselvoorwerpszin komt heel vaak een voorlopig voorzetselvoorwerp
voor:
- Hij legde zich neer bij de beslissing
- Hij legde zich erbij neer dat
de jury een verkeerde beslissing nam.
Het voorlopig voorzetselvoorwerp bestaat uit het woordje 'er' + het vaste voorzetsel.
Naar
boven
Ontleden
Elke zin bestaat uit zinsdelen.
Zo'n zinsdeel kan uit één woord bestaan, maar ook uit een groepje
woorden. De zinsdelen zijn:
Persoonsvorm
- onderwerp - gezegde - lijdend
voorwerp - meewerkend voorwerp - voorzetsel
voorwerp - bijwoordelijke bepaling.
Als je wilt weten hoe je deze zinsdelen kunt vinden, klik dan op de hierboven
genoemde zinsdelen. Zie
ook: redekundig en taalkundig ontleden.
Naar
boven
Plaatsonderwerp
/ voorlopig onderwerp / uitlooponderwerp / loos onderwerp
Plaatsonderwerp
Er is een regel die zegt dat onderwerp en persoonsvorm in een enkelvoudige zin
onscheidbaar zijn. Een enkele keer wordt die regel overtreden, namelijk wanneer
er sprake is van een plaatsonderwerp, oftewel het woordje 'er'.
Het plaatsonderwerp vind
je aan het begin van de zin of direct na de persoonsvorm.
Er is sprake van een plaatsonderwerp als het woordje 'er'
op de plaats staat van het eigenlijk onderwerp. Een paar voorbeelden:
Er staat al jaren een snackbar op de
hoek van de straat. (Een snackbar
staat ... straat.)
Al jaren staat er een snackbar op de hoek van de
straat.
Er stond een politieman voor de deur. (Een
politieman stond ... deur.)
Gisteravond stond er een politieman voor de deur.
Voorlopig
onderwerp
Het voorlopig onderwerp staat aan het begin van een zin.
Het verwijst naar het eigenlijk onderwerp aan het eind van de zin of een bijzin.
Voorbeeld:
Het is mogelijk dat die
brief vals is. 'Het' verwijst naar 'dat die brief vals is'.
Het is wel begrijpelijk dat
hij zo doet. 'Het' verwijst naar 'dat hij zo doet'.
Uitlooponderwerp
In gevallen met vooruitverwijzing met het woordje 'het' is er sprake van een dubbel
onderwerp, namelijk het voorlopig onderwerp en het eigenlijk onderwerp. Het onderwerp
dat achteraan staat (het eigenlijk onderwerp) wordt het uitlooponderwerp genoemd.
Zo'n uitlooponderwerp bevat een persoonsvorm en is als het ware een zin binnen
een zin.
Behalve met het woordje 'het' kom je dat verschijnsel ook tegen bij het woordje
'er':
Er (voorlopig onderwerp) wordt gezegd dat
hij dood is (uitlooponderwerp).
Loos onderwerp
Een loos onderwerp heeft geen betekenis. Het staat er slechts voor de vorm.
Een loos onderwerp wordt als onderwerp gebruikt:
- in samenhang met een natuurgebeuren - Het sneeuwt.
- wanneer de oorzaak onbekend is - Het spookte
in het gebouw.
- wanneer men het onderwerp niet wil aangeven - Het
lekte in de garage.
Naar
boven
Samengestelde
zin / enkelvoudige zin
Enkelvoudig
Een zin is enkelvoudig als er tussen hoofdletter en punt slechts één
persoonsvorm aanwezig is:
PSV wordt
ook dit jaar kampioen. Dat arrogante Ajax kan het
voor de zoveelste keer vergeten.
Samengesteld
Een zin is samengesteld als tussen hoofdletter en punt meer dan één
persoonsvorm aanwezig is.
Een samengestelde zin kan bestaan uit:
- twee hoofdzinnen met een voegwoord ertussen (Jan
schrijft een brief en Peter speelt piano)
- een hoofdzin waarin een bijzin is opgenomen (Ik
ontdekte dat hij gelogen
had.)
Tip!
* Bij een hoofdzin staan pv en onderwerp naast elkaar. (Er kunnen geen andere
zinsdelen tussen)
* Bij een bijzin kunnen er tussen pv en onderwerp wel andere zinsdelen staan:
- Maria vertelde (hoofdzin) dat zij
in Eindhoven was geweest (bijzin).
* Een bijzin kun je vervangen door een zinsdeel zónder pv:
Ik
zet de muziek aan zodra ze hier zijn ---> Dan
zet ik de muziek aan.
Naar
boven
Scheidbare
en onscheidbare werkwoorden
Sommige werkwoorden zijn samengesteld.
Dat betekent dat het werkwoord is voorzien van een voorvoegsel.
- Jan wil Piet overhalen. (Betekenis
'iemand bepraten / overreden.)
- Zij kunnen de situatie niet overzien.
Soms is zo'n werkwoord scheidbaar, soms niet. Maar hoe kom je daar nu achter?
Zodra de klemtoon bij een samengesteld werkwoord op het eerste woord ligt, heb
je te maken met een scheidbaar werkwoord. Je kunt dan het eerste deel van de samenstelling
losmaken van het tweede deel..
Overhalen: de klemtoon ligt hier op 'over'.
- Jan haalt Piet over.
Hier kun je het eerste deel van de samenstelling losmaken van het tweede deel.
Wat opvalt, is dat het voorvoegsel naar achteren is geschoven. Bij een scheidbaar
samengesteld werkwoord is dat verplicht..
Overzien: de klemtoon ligt hier op 'zien'. Losmaken
is dan ook niet mogelijk, zoals in de volgende zin blijkt.
- Zij zien de situatie niet over.
Dit moet zijn: zij overzien de situatie niet.
Zoals gezegd bepaalt de plaats van de klemtoon of een samengesteld werkwoord scheidbaar
is of niet. De volgende voorbeelden maken dat nog eens duidelijk.
- Zij óverleggen de stukken.
De klemtoon ligt op het eerste deel, dus is het werkwoord scheidbaar: Zij legden
de stukken over. Je kunt het voorvoegsel naar achteren schuiven.
- Zij overléggen hoe ze het zullen doen.
De klemtoon ligt nu op het tweede deel, dus is het werkwoord niet scheidbaar.
Je kunt niet zeggen: Zij legden over hoe ze het zullen doen.
Naar
boven
Spelling
van de persoonsvorm in tegenwoordige tijd
De spelling van de persoonsvorm
in tegenwoordige tijd heeft drie vormen:
1. Stam (hele woord min -en)
2. Stam + t (ander enkelvoud)
3. Hele werkwoord (meervoud)
De stam vind je door eerst het hele woord te nemen en vervolgens -en weg te halen:
- worden = word
- binden = bind
Soms moet je een letter toevoegen of veranderen:
- besteden = besteed
- verhuizen = verhuis
1. Stam
Je schrijft alleen de stam als:
- IK erbij staat (Ik
word gek van die
muziek - Word ik gek van die
muziek?)
- JE of JIJ erachter
staat (Word jij er ook gek van?)**
- de GEBIEDENDE WIJS van toepassing is (Word
toch eens volwassen!)
**Let op! Als 'je' de betekenis heeft van
'jouw', dan schrijf je stam + t.
2. Stam + t
Je schrijft stam + t als:
- als er sprake is van een ANDER ENKELVOUD -dus als
geen van de punten bij stam van toepassing is- (Jij
wordt de beste van de klas. De machine werkt
nog steeds. Wordt je vader morgen vijftig
jaar?)
3. Hele werkwoord
Je schrijft het hele werkwoord als er sprake is van
MEERVOUD:
- De jongens voetballen
al een uur.
- De machines werken
nog steeds.
Spelling
van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd in schema:
| STAM |
STAM
+ T |
MEERVOUD |
ik
erbij
je/jij erachter**
gebiedende wijs |
ander
enkelvoud |
hele
werkwoord |
**
Als 'je' de betekenis heeft van 'jouw', schrijf je stam + t.
Naar
boven
Spelling
van de persoonsvorm in verleden tijd
Om te weten hoe je een persoonsvorm
in de verleden tijd schrijft, moet je eerst weten of je te maken hebt met:
- een zwak werkwoord (verandert niet van klank in de verleden tijd : ik blus,
ik bluste, wij blusten), of
- een sterk werkwoord (verandert wél van klank in de verleden tijd : ik
geef, ik gaf, wij gaven)
Sterk werkwoord
Is het een sterk werkwoord, dan schrijf je het woord zo
simpel mogelijk op:
- (Zingen) Ik zong de hele tijd. We zongen de hele tijd.
- (Lopen) Ik liep door de straat. Wij liepen door de straat.
Zwak werkwoord
Is het een zwak werkwoord, dan schrijf je stam + te
of stam + de:
- (Strooien) Ik strooide het zout over de
aardappelen.
- (Besteden) Hij besteedde veel geld.
- (Biljarten) Ik biljartte de hele avond.
Let op! Wanneer er sprake is van meervoud,
dan zet je er ook nog een -n achter:
Wij strooiden....
Zij besteedden...
De broers biljartten...
Tip!
Meestal weet je uit jezelf of je bij zwakke werkwoorden in de verleden tijd -de
of -te moet gebruiken. Twijfel je toch nog, gebruik dan de regel van
't kofschip.
Naar
boven
Spreekwoorden
en gezegdes
Spreekwoord
Een spreekwoord is een vaste, onveranderlijke zin met een heel bijzondere, figuurlijke
betekenis. Vaak drukt een spreekwoord een wijze les uit. Voorbeeld:
- Bezint eer gij begint. (Denk na voordat je iets doet.) Aan deze zin kun je geen
woord veranderen.
Gezegde (ook wel zegswijze
of uitdrukking genoemd)
Een gezegde is een combinatie van woorden met een figuurlijke betekenis, maar
de wijze les ontbreekt meestal. In dit geval kun je wel een paar woorden veranderen.
Voorbeeld:
- Iemand naar de mond praten. (Dingen zeggen die de ander graag wil horen.) Hiervan
kun je maken:
* Hij praat haar naar de mond, of...
* Ik heb hem niet naar de mond gepraat.
Je kunt er dus wijzigingen in aanbrengen.
Bij gezegdes kun je vaste vergelijkingen tegenkomen. Je vergelijkt dan het een
met het ander. Voorbeelden:
- Zo glad als een aal.
- Zo lek als een mandje.
Thema's
Bekende thema's bij spreekwoorden en gezegdes:
- marteling: er gaan koppen rollen - bloed
onder de nagels vandaan halen
- dieren: ze is geen katje om met blote handen
aan te pakken - als kat en hond leven
- weer: als de gesmeerde bliksem - als het ijs
gebroken is
- fruit: appels met peren vergelijken - de appel
valt niet ver van de boom
- boten: met de kloten voor het blok (kloten:
rolkralen in rijglijg voor grootzeil aan mast, ook: knopen in een lijn die niet
door een blok (katrol ) kunnen. De kont tegen de krib gooien (Kont: achterkant
van het schip) tegen een strekdam (krib) zetten in een rivier en daardoor niet
verder kunnen maar ook de rest blokkeren.
- geld: met klinkende munt betalen - met gelijke
munt betalen
Naar
boven
Telwoorden
Telwoorden kun je onderverdelen
in:
1. Hoofdtelwoorden
2. Rangtelwoorden
Hoofdtelwoord
Het hoofdtelwoord noemt een aantal.
Het hoofdtelwoord is onder te verdelen in:
- bepaald hoofdtelwoord (één, twee,
twaalf)
- onbepaald
hoofdtelwoord (veel,
weinig, alle)
Rangtelwoord
Het rangtelwoord noemt een rangorde.
Het rangtelwoord is onder te verdelen in:
- bepaald rangtelwoord (eerste, tweede, vijfde)
- onbepaald rangtelwoord (laatste, middelste,
zoveelste)
Naar
boven
Verkleinwoorden
Een verkleinende vorm van een zelfstandig naamwoord maak je door iets aan dat woord toe te voegen (een achtervoegsel), namelijk: -etje, -je, -kje, -pje of -tje.
Voorbeelden: ringetje, hondje, koninkje, boompje en deurtje.
Als een woord eindigt op de klinkers a, o, u of ee, dan wordt die klinker bij de verkleining verdubbeld:
- la wordt laatje - oma wordt omaatje
- auto wordt autootje
- paraplu wordt parapluutje
- slee wordt sleetje
Pas op! De verdubbeling van de klinker verdwijnt echter bij afbreking op het einde van een zin, dus:
auto-
tje
paraplu-
tje
la-
tje
Sleetje blijft bij afbreking op het einde van een zin wel met dubbele klinkers geschreven:
slee-
tje
Woorden die eindigen op -i krijgen er bij het verkleinen een -e bij:
- ski wordt skietje
- taxi wordt taxietje
Woorden die eindigen op -y krijgen er een apostrof bij, waarna het achtervoegsel volgt:
- baby'tje
- hobby'tje
Een apostrof gebruik je ook bij de verkleinvorm van letters en afkortingen:
A4 wordt A4'tje
Cd wordt cd'tje
Tot slot: het sjieke woord diner wordt bij verkleining dinertje. Café wordt cafeetje.
Naar
boven
Verwijswoorden
Verwijswoorden slaan vaak terug
op eerdergenoemde woorden. Soms wijzen ze vooruit naar woorden die verderop komen.
Voorbeelden:
Het kleed dat
hier ligt, is erg mooi. (Het woord dat verwijst terug,
namelijk naar het kleed.)
De man die daar staat, is PSV-supporter. (Het woord
die verwijst terug, namelijk naar de
man.)
Het is nu zeker dat PSV kampioen wordt. (Het
verwijst vooruit, namelijk naar dat PSV kampioen wordt.)
Een verwijswoord kan ook verwijzen naar iets in een vorige zin:
Kende jij die mop al? Ja, ik had hem al eerder gehoord.
(Hier verwijst hem naar die
mop in de vorige zin.)
Wanneer gebruik je 'die' en wanneer 'dat'?
Die gebruik je wanneer je te maken hebt met een de-woord
(de jongen, de auto): de jongen / auto die daar staat....
Dat gebruik je wanneer je te maken hebt met een het-woord
(het meisje, het boek): het meisje / boek dat daar staat...
En verder...
Naar mannelijke woorden verwijs je met hij, hem of
zijn: als de agent (m) iemand arresteert, toont hij
eerst zijn politiepenning.
Naar vrouwelijke woorden verwijs je met zij, ze en
haar: de leeuwin (v) liet niemand toe in de buurt van haar
welpjes.
Naar onzijdige woorden verwijs je met het en zijn:
het pand (o) is beschadigd. Het heeft een deel van
zijn waarde verloren.
Naar mensen verwijzen
Je gebruikt op wie, aan wie, met wie enzovoort, om naar mensen te verwijzen.
Als het niet om mensen gaat, gebruik je erop, eraan, hiermee.
- Jan is een kameraad op wie je kunt rekenen. (Op
wie verwijst naar Jan, dus een mens.)
- Ik reken erop dat Jan komt. (Je rekent op de komst
van Jan en dus niet op Jan zelf. Dus geen mens.)
Woorden als waarvan, waaraan, waardoor, waarin, etc. verwijzen eveneens terug
naar zaken of dieren:
De auto waarvan hij houdt, is totaal vernield.
(zaak)
De vrouw van wie hij houdt, is bij hem weggegaan.
(mens)
Naar
boven
Voltooid
en onvoltooid deelwoord/tegenwoordig deelwoord
Kenmerken van een voltooid deelwoord:
- Begint vaak met een voorvoegsel: ge- of ver- of on- (gebeld,
gezakt, verwerkt verbogen,
ongevaarlijk) en soms met ont- (onthuld)
- Soms staat het voorvoegsel midden in het woord: overgewerkt,
opgebeld, uitvergroot
( = bij scheidbare werkwoorden: werkt over = overgewerkt; belt op = opgebeld,
etc.)
- Een voltooid deelwoord is nooit het enige werkwoord in de zin. Er staat altijd
een ander werkwoord bij, namelijk de persoonsvorm: (hij heeft
gebeld; zij is geweest)
Voltooide deelwoorden vind je zowel bij sterke als zwakke werkwoorden
Voltooid
deelwoord van sterk werkwoord:
- Eindigt op -en (gevonden - gekregen).
- Veranderen niet als ze bijvoeglijk worden - als ze iets over het zelfst. nmw.
zeggen - (een gevonden mes, het gekregen cadeau).
- Kortom, ze hebben altijd dezelfde vorm
Voltooid
deelwoord van zwak werkwoord:
- Eindigt op -d of -t
(verbrand, gestreept)
- Wordt net zo gespeld als andere bijvoeglijke naamwoorden
- Heeft twee vormen, namelijk een korte en een lange vorm.
1. Kort: een verbrand huis - een gestreept truitje,
of
2. Lang: met een -e erachter -het verbrande
huis - het gestreepte truitje - de verroeste
spijker - de verwachte overwinning - de geplette
banaan - het gedode konijn
Tip: als
je twijfelt omtrent -d of -t moet je het woord verlengen. Dan hoor je vanzelf
welke letter je moet gebruiken. De volgende voorbeelden maken dat duidelijk.
Hij is verhuis..
Komt hier een -d of een -t op de plaats van de punt? Maak het woord langer:
Hij verhuisde. Je hoort een d-klank, dus schrijf
je een -d:
Hij is verhuisd.
Hij heeft gewerk..
Maak het woord langer: Hij werkte. Je hoort een
t-klank, dus schrijf je een -t:
Hij heeft gewerkt.
Onvoltooid
deelwoord (ook tegenwoordig deelwoord
genoemd)
- Wordt ook vaak als bijvoeglijk naamwoord
gebruikt.
- Wordt gevormd door achter het hele werkwoord -d
of -de te zetten.
Een lopend vuurtje. - Het lopende
vuurtje..
Een hinkend hondje. - Het hinkende
hondje.
Naar
boven
Pleonasme
Er is sprake van pleonasme
als we met het éne woord nog eens zeggen wat in een ander woord van de
zin reeds opgesloten ligt. Let op: het gaat hierbij niet om synoniemen zoals bij
tautologie. (Bij tautologie wordt het gehele begrip twee keer uitgedrukt, bij
pleonasme wordt slechts een deel van de begripsinhoud herhaald.) Voorbeelden van
pleonasme zijn:
- Een witte schimmel
- Een ronde cirkel
- Bevroren ijs
Naar
boven
Redekundig
en taalkundig ontleden
Redekundig ontleden
betekent dat je de zin gaat verdelen in ZINSDELEN.
Bij zinsdelen moet je denken aan:
persoonsvorm, onderwerp,
werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk
gezegde, meewerkend voorwerp, lijdend
voorwerp, bijwoordelijke bepaling en
bijvoeglijke bepaling.
Taalkundig ontleden is het benoemen van WOORDSOORTEN.
Hierbij worden de volgende woordsoorten onderscheiden:
werkwoorden, zelfstandig
naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden,
voornaamwoorden, bijwoorden, lidwoorden,
telwoorden, voegwoorden, voorzetsels
en tussenwerpsels.
Ter illustratie de volgende
zin:
" Jan gaf mijn collega vanmorgen een warm kopje koffie.
De redekundige ontleding hiervan is:
gaf = persoonsvorm
Jan = onderwerp
gaf = werkwoordelijk gezegde
een warm bekertje koffie = lijdend voorwerp*
mijn collega = meewerkend voorwerp
vanmorgen = bijwoordelijke bepaling
* In het
lijdend voorwerp zit nog een zinsdeel opgesloten, namelijk 'warm'. Dat zinsdeel
noemt men een bijvoeglijke bepaling. Het zegt iets over het bekertje koffie,
namelijk dat het warm is.
De taalkundige
ontleding van de zin is:
Jan = zelfstandig
naamwoord
gaf = werkwoord
mijn = bezittelijk voornaamwoord
collega = zelfstandig naamwoord
vanmorgen = bijwoord
een = lidwoord
warm = bijvoeglijk naamwoord
bekertje = zelfstandig naamwoord
koffie = zelfstandig naamwoord
Naar
boven
Sterke
en zwakke werkwoorden
Sterk
werkwoord
Een sterk werkwoord verandert bij vervoeging van klank:
- Ik loop - ik liep
- Wij eten - wij aten
- Hij brengt goed nieuws - hij bracht
goed nieuws
Zwak werkwoord
Een zwak werkwoord verandert niet van klank bij vervoeging:
- Ik blus de brand - ik bluste
de brand
- Hij werkt - hij heeft gewerkt
- José en Iris fietsen - José en Iris
fietsten
Naar
boven
Samentrekking
Komt voor op:
- Zinsniveau
- Woordniveau en woordgroepniveau
Samentrekking
op zinsniveau
Je hebt een zin die bestaat uit twee delen. In elk deel zitten woorden die overeenkomen
met elkaar (gemeenschappelijk deel).
Wat je nu gaat doen is in het tweede deel het gemeenschappelijke deel weghalen.
Let wel op: een gemeenschappelijk woord of zinsdeel mag je alleen weglaten als
het in beide delen dezelfde functie, dezelfde betekenis en hetzelfde getal (meervoud/enkelvoud)
heeft.
Voorbeeld 1
Karel krijgt een boek en Mieke krijgt een cd. Hiervan kun je maken: Karel
krijgt een boek en Mieke een cd.
In bovenstaand
voorbeeld is 'krijgt' in beide delen de persoonsvorm, dus is er gelijkheid.
Ook het getal (enkelvoud) is gelijk. Je mag dus de tweede 'krijgt' weglaten.
Voorbeeld
2
De minister komt naar Den Haag, en de minister opent er een tentoonstelling.
Hier is
in beide gevallen 'de minister' het onderwerp. Je mag dus 'de minister'
in het tweede deel weglaten. Je krijgt dan:
De minister
komt naar Den Haag en opent er een tentoonstelling.
Voorbeeld
3
Dit huis is erg duur en dit huis kunnen we dus niet betalen.
In dit voorbeeld
is een samentrekking niet mogelijk. In het eerste deel
is 'dit huis' onderwerp.
In het tweede deel is 'we'
echter het onderwerp. 'Dit
huis' is in het tweede deel lijdend voorwerp
(wie/wat + gezegde + onderwerp = wat kunnen we niet betalen?: dit huis.) Je
mag dus in het tweede deel 'dit huis' niet weglaten. Je moet dus steeds
de ontleding nagaan!!
Een laatste voorbeeld
Hier zet men koffie en over (denk bij 'over' aan een veerpont).
Deze samentrekking
is fout. De betekenis van 'koffiezetten' en 'overzetten' is verschillend
(het gaat hier om het maken van koffie en het brengen van iets of iemand van
punt a naar b)
Samentrekking
op woordniveau en woordgroepniveau
Ook op woordniveau kom je soms samentrekkingen tegen. Zo kun je de woorden 'invoer'
en 'uitvoer' terugbrengen tot 'in- en uitvoer'. Na 'in'
plaats je dan een weglatingsteken (-).
Let op:
dit teken vervangt alleen een woorddeel (in dit voorbeeld -voer) en nooit
een heel woord.
Andere voorbeelden
van samentrekking zijn:
- op- en aanmerkingen
- aan- en afvoertroepen
Toch kan
er ook op dit niveau iets fout gaan. Kijk daarvoor eens naar het volgende voorbeeld:
Mijn zoon
heeft een auto- en brievenbus getekend.
'Bus' is hier het samengetrokken deel. Echter, er is een verschil in betekenis.
Samentrekking is dus niet mogelijk.
Naar
boven
Tautologie
Tautologie houdt in dat je binnen een zin twee maal hetzelfde zegt door middel
van verschillende woorden. Je kunt het zien als een (overbodige) herhaling. Voorbeelden
zijn:
- Wie heeft het recht dat te mogen
zeggen? Als je het recht hebt, dan mag het bij voorbaat, dus is 'mogen' overbodig.
- Wij zijn genoodzaakt u te moeten
ontslaan. Als je genoodzaakt bent, moet je al
iets, dus is 'moeten' overbodig.
Soms wordt een tautologie toegepast om iets te beklemtonen. Deze herhalingen zijn
ingeburgerd en worden vaak gebruikt zonder er bij na te denken. Voorbeelden daarvan
zijn:
- Hoe je het ook wendt of keert...
- Het is geheel en al
te wijden aan...
- We moeten paal en perk
stellen aan...
Een enkele keer kom je tautologie
ook tegen op woordniveau. In dat geval heb je een samenstelling waarvan beide
delen synoniem zijn. Je kunt hierbij denken aan:
- Brokstuk
- Doeleinde
Naar
boven
Trappen
van vergelijking / superlatief
Bij bijvoeglijke naamwoorden,
zoals snel, heb je trappen van vergelijking. Er zijn drie trappen:
1) stellende trap (snel)
2) vergrotende trap (sneller)
3) overtreffende trap (snelst)
De vergrotende trap maak je
door achter het bijvoeglijk naamwoord -er te zetten: zachter,
groter.
De overtreffende trap maak je door achter het bijvoeglijk naamwoord -st te zetten:
zachtst, grootst.
Let op!
Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op -r, krijgen bij de vergrotende trap niet
-er, maar -der: zwaar - zwaarder.
Er zijn echter een paar uitzonderingen op de bovenstaande regels:
goed - beter - best
veel - meer - meest
weinig - minder - minst
Meest
Woorden op –isch, -sk, -st en –sd krijgen meest in de overtreffende trap, omdat ze eenvoudigweg met –st niet uitspreekbaar zijn. Een paar voorbeelden:
- logisch – logischer – meest logisch (‘logischst’ krijg je wat moeilijk over je lippen, tenzij je een paar liter bier in je lijf hebt zitten)
- bruusk – bruusker – meest bruusk (ook hier kan alleen drankmisbruik je redden: bruuskst)
- gewiekst – gewiekster – meest gewiekst (enzovoort)
- vast – vaster – meest vast
- verbaasd – verbaasder – meest verbaasd
Meer
Het woord meer kun je gebruiken in plaats van –er om zodoende drie toonloze klanken achter elkaar te vermijden:
onvriendelijker wordt meer onvriendelijk
uitdrukkelijker wordt meer uitdrukkelijk
Waar het eigenlijk allemaal op neer komt, is dat je de woorden meer en meest alleen gebruikt bij lange of moeilijk uit te spreken woorden, of om ergens de nadruk op te leggen.
Superlatief
De superlatief is de overtreffende trap van een bijvoeglijk naamwoord (zie pnt.
3).
Naar
boven
'Van
wie' of 'waarvan
Het kan gebeuren dat je niet
weet of je nu 'van wie' of 'waarvan' moet schrijven in een zin als: Het meisje
waarvan/van wie ik houd.
De regel die voor deze kwestie
gehanteerd wordt, is eenvoudig:
Woorden als waaronder,
waaraan, waarvan
en waarvoor worden niet gebruikt om naar personen
te verwijzen. Bij verwijzing naar personen schrijf je: onder
wie, aan wie, voor wie,
enzovoort.
De juiste schrijfwijze van de voorbeeldzin is dan ook: Het meisje van
wie ik houd.
Nog een paar voorbeelden:
Het meisje met wie ik ga trouwen, staat daar.
- Dus niet: Het meisje waarmee ik ga trouwen ...
Hij heeft geen familie naar wie hij toe kan gaan.
- Dus niet: Hij heeft geen familie waar hij heen
kan gaan.
Naar
boven
Voegwoord
Een voegwoord is een verbindingswoord
dat woorden, woordgroepen en zinnen met elkaar kan verbinden.
We kennen twee soorten voegwoorden:
1. Nevenschikkende voegwoorden
2. Onderschikkende voegwoorden
Nevenschikkende voegwoord
- verbindt gelijkwaardige elementen met elkaar (twee woorden, twee woordgroepen,
twee bijzinnen of twee hoofdzinnen)
* Jan ging met de trein en Ria pakte de auto. (hoofdzinnen)
* Hitte en ontberingen maakten het tot een zware
opgave (woorden)
* Hij is een goede echtgenoot en een toegewijde vader
(woordgroepen)
* Ik beloof dat ik morgen naar huis kom en dat
ik dan begin (twee bijzinnen)
Onderschikkende voegwoord
- verbindt een hoofdzin met een bijzin
- staat steeds aan het begin van een bijzin
* Ik zeg dat ik morgen
thuiskom.
* Als hij dat wil, kan
hij komen.
Naar
boven
Voornaamwoorden
Voornaamwoorden staan voor een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord
in de plaats. Ze vervangen dus het zelfstandig naamwoord of het bijvoeglijk naamwoord.
De voornaamwoorden die je hieronder vindt, zijn:
- Persoonlijk voornaamwoord
- Bezittelijk voornaamwoord
- Vragend voornaamwoord
- Aanwijzend voornaamwoord
- Betrekkelijk voornaamwoord
- Onbepaald voornaamwoord
- Wederkerend voornaamwoord
- Wederkerig voornaamwoord
Persoonlijk voornaamwoord
Persoonlijke voornaamwoorden zijn:
ik, me, mij, je, jij, jou, hij, hem, zij, ze, haar, u, we, wij, ons, jullie,
hen, het
- Verwijzen naar zelfstandige
naamwoorden: de man - ik heb hem
gezien
- Bij 'de'-woorden gebruik je een mannelijk
of vrouwelijk pers. vnw (ik heb hem/haar
gezien)
- Bij 'het'-woorden gebruik je mannelijk
of 'het', tenzij de vrouw centraal staat ) het geweer: hij heeft hem/het
gekocht - de vrouw: ik heb haar gezien.
Bezittelijke voornaamwoord
Bezittelijke voornaamwoorden zijn:
mijn, jouw, je, uw, zijn, haar, ons, onze, jullie, uw, hun
- Geven aan van wie iets is
- Staan altijd vóór het bezit waar ze bij horen: mijn
paard, zijn auto, jullie
huis.
Let op: staat het vnw. áchter
het bezit en staat het woord 'van' ervóór, dan is het een pers.
vnw.:
Dat paard van mij; die auto van
hem. Dit zijn dus persoonlijke voornaamwoorden.
Vragend voornaamwoord:
wie, wat, welk(e), wat voor (een)
Voorbeelden:
Welk boek is dit; welke taart wil je?; wat voor muziek luister je?; wie gaat
er weg?; wat voor (een) auto is dat?
Aanwijzend voornaamwoord
Aanwijzend
voornaamwoorden zijn: deze, die, dit, dat, zo'n, zulke
Ze wijzen
iets aan: dit huis is groter dan dat
huis; deze jongen is slimmer dan die
jongen.
- Bij
'de'-woorden of meervoud
gebruik je 'die' of 'deze':
Zie je die man? Die
heeft een rare jas.
- Bij 'het'-woorden of hele
zinnen gebruik je 'dit' of 'dat':
Heb je het boek? Ja, dat heb ik.
Betrekkelijke voornaamwoord
Betrekkelijke vnw. zijn: die, dat, wie, wat
- Wijzen meestal terug
- Hebben betrekking op een woord dat eerder genoemd is, het antecedent.
Voorbeelden:
De jongen die daar loopt is mijn vriend. (de
jongen = antecedent)
Het meisje dat daar staat heet Eva. (het meisje
= antecedent)
Alles wat je doet, wordt hier opgeschreven.
(alles = antecedent)
Onbepaald voornaamwoord
Onbepaalde voornaamwoorden zijn: iets, niets, men, alles, ieder,
iemand, niemand
- Dulden iets of iemand aan, maar zeggen niet precies over wie het gaat
- Ook 'het' is onb. vnw. als het nergens naar verwijst
(het regent)
Wederkerend
voornaamwoord
-
Duidt dezelfde persoon aan als het onderwerp van de zin
Voorbeelden:
- Ik schaam mij. (mij wijst naar ik)
- Jij schaamt je. (je wijst naar jij)
- Zij schamen zich. (zich wijst naar zij)
Wederkerig voornaamwoord
- Hier is er slechts één van: elkaar
Voorbeeld:
Zij kussen elkaar.
Naar
boven
Voorzetsel
Staat vaak
vóór een lidwoord (Na de
les ga ik naar huis - tijd)
Duidt vaak een plaats, tijd of richting aan (Ik ga naar
Rotterdam - richting)
Heeft vaak geen letterlijke betekenis (Ik werk op
de computer - plaats)
Truc
Er is een trucje waarmee je kunt 'testen' of een woord een voorzetsel is. Je moet
dan proberen of je het woord vóór 'de kast' of vóór
'de vakantie' kan zetten. Bijvoorbeeld: op
de kast, in de kast, tijdens
de vakantie, na de vakantie, enz.
Soms werkt deze truc niet. Je kunt dan nog een andere manier toepassen om erachter
te komen of je met een voorzetsel te maken hebt of niet. Kijk naar het volgende
voorbeeld:
a. Wij gaan morgen naar. (voorzetsel)
b. Ik ga naar boven. (géén voorzetsel) Hier is het een bijwoord.
Bij voorbeeld a heb je het gevoel dat de zin nog
niet af is. Bij voorbeeld b is de zin wel af. Voorzetsels
staan altijd vóór een groepje woorden, nooit alleen. In zin
a is naar dus een voorzetsel, want
er moeten nog woorden achter. In zin b is boven
géén voorzetsel, want er hoeven geen woorden meer achter.
Naar
boven
Voorzetseluitdrukking
/ vast voorzetsel
Voorzetseluitdrukking
Voorzetsels vind je vaak terug in groepjes. In dat geval worden ze voorzetseluitdrukkingen
genoemd. Het zijn vaste uitdrukkingen die gebouwd zijn rondom voorzetsels. Bekende
voorbeelden van vaste uitdrukkingen zijn:
- door middel van
- ter attentie van
- als gevolg van
Vast
voorzetsel
Veel werkwoorden en zelfstandige naamwoorden hebben eveneens een vast voorzetsel
bij zich. Deze voorzetsels hebben geen eigen betekenis. Ze zijn eigenlijk vast
verbonden met een ander deel van de zin. Grammaticaal gezien vervult het voorzetsel
samen met het erop volgende iets/iemand meestal de functie van voorzetselvoorwerp.
Voorbeelden
van dergelijke combinaties zijn:
- aandacht
vestigen op iets
- afkomen op iemand
- afstand doen van iets
- bestand zijn tegen iets
- analoog aan iets
Naar
boven
Hulpwerkwoord
Hulpwerkwoorden zijn werkwoorden
die samen met een ander werkwoord het gezegde vormen. Het zijn tevens de werkwoorden
die overblijven als het zelfstandig werkwoord is bepaald. Het hulpwerkwoord kan
in drie combinaties gebruikt worden:
1) hulpwerkwoord + infinitief (hele werkwoord): Dat boek zal ik morgen lezen.
2) hulpwerkwoord + voltooid deelwoord: Hij heeft hulp gehad.
3) hulpwerkwoord met te + infinitief: Zij zit te staren (te is hier onmisbaar
- Een vergelijkbare functie als het woordje te wordt soms vervuld door de woorden
'aan het': Hij is aan het stoeien.)
Er zijn drie soorten hulpwerkwoorden:
1) hulpwerkwoorden van tijd: hebben, zijn, zullen
2) hulpwerkwoorden van de lijdende vorm: worden, zijn
3) hulpwerkwoorden van modaliteit: willen, mogen, moeten, kunnen
Naar
boven
Wederkerend
werkwoord
Een wederkerend werkwoord is
een werkwoord dat een verbinding aangaat met een wederkerend voornaamwoord. Er
zijn twee soorten wederkerende werkwoorden:
1) noodzakelijk wederkerende werkwoorden
2) niet-noodzakelijke wederkerende werkwoorden
Sub 1:
Noodzakelijke wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden
die niet zonder een wederkerend voornaamwoord kunnen. Het bekendste voorbeeld
is 'schamen'. Hier moet een wederkerend voornaamwoord bij:
- Ik schaam mij
- Jij schaamt je
- Hij schaamt zich
- Zij schamen zich
Tip: zinnen met noodzakelijk wederkerende
werkwoorden kunnen niet in de lijdende vorm gezet worden.
Sub 2:
Niet-noodzakelijke wederkerende werkwoorden zijn
werkwoorden die soms wel en soms niet om een wederkerend voornaamwoord vragen:
- zich vermaken / een ander vermaken
- zich stoten / een ander stoten
- zich wassen / de glazen wassen
- zich afborstelen / zijn jas afborstelen
Naar
boven
Woordsoorten
Werkwoord
(zie: Werkwoord)
Zelfstandig naamwoord (zie:
Zelfstandig naamwoord)
Lidwoord (zie: Lidwoord)
Bijvoeglijk naamwoord (zie:
Bijvoeglijk naamwoord)
Bijwoord (zie: Bijwoord)
Voornaamwoorden: (zie:
Voornaamwoorden)
- Persoonlijk voornaamwoord
- Bezittelijk voornaamwoord
- Aanwijzend voornaamwoord
- Betrekkelijk voornaamwoord
- Vragend voornaamwoord
- Onbepaald voornaamwoord
- Wederkerend voornaamwoord
- Wederkerig voornaamwoord
Voorzetsel (zie: Voorzetsel)
Voegwoord (zie: Voegwoord)
Naar
boven
Woordvolgorde
Soms kan de plaats van een
woord in een zin vreemde misverstanden opleveren. Kijk maar eens goed naar de
volgende zinnen:
1. Morgen hoop ik weer te kunnen voetballen.
2. De twee laatste bezoekers mochten niet meer binnenkomen.
3. Ik hoop niet dat je verkouden wordt.
Op het eerste gezicht lijkt er niet veel aan de hand met de zinnen. Toch klopt
er iets niet. In de eerste zin hoopt de spreker natuurlijk op het moment van spreken
al dat hij morgen weer kan voetballen. Nu lijkt het alsof hij pas morgen hoopt
dat hij (ooit) weer kan voetballen. De juiste zin luidt: Ik hoop morgen weer
te kunnen voetballen.
De tweede zin had moeten luiden: De laatste twee bezoekers ... Er kan er
tenslotte maar één de laatste zijn.
In de derde zin zit een proleptische ontkenning. Dat betekent in dit geval dat
het woord 'niet' te vroeg in de zin is geplaatst. Het lijkt nu namelijk dat er
iets niet wordt gehoopt, terwijl je juist wél iets hoopt. De zin had dan
ook als volgt moeten luiden: Ik hoop dat je niet verkouden wordt.
Woordvolgorde bij werkwoorden
De volgorde van werkwoorden kent meerdere vormen. Welke dat zijn, hangt af van
de taal en van het land. Wij beperken ons hier tot twee vormen:
1. de rode volgorde (Eerst wordt de persoonsvorm
geschreven en vervolgens het voltooid deelwoord.)
2. de groene volgorde (Eerst wordt het voltooid deelwoord
geschreven en vervolgens de persoonsvorm.)
Voorbeeld:
De afstand die door hem is verlopen. Hier
staat de persoonsvorm vóór het voltooid deelwoord, dus is het de
rode volgorde.
De afstand die door hem verlopen is. Hier
staat het voltooid deelwoord vóór de persoonsvorm, dus is het de
groene volgorde. Beide
vormen zijn mogelijk. Vooral in het oosten van het land wordt de groene volgorde
gebruikt. De rode volgorde is in de rest van Nederland de meest voorkomende volgorde.
In geschreven tekst komt de rode volgorde vaker voor dan de groene volgorde.
Naar
boven
Werkwoord
- Kun je vervoegen - veranderen
van persoon, getal en tijd -
* ik loop / jij loopt (persoon)
* ik loop / wij lopen (getal)
* Hij loopt / hij liep (tijd)
Werkwoordsvormen
1. Infinitief (zie: Infinitief).
2. Persoonsvorm (zie: Persoonsvorm)
3. Voltooid deelwoord (zie:
Voltooid deelwoord)
4. Tegenwoordig deelwoord (zie: Tegenwoordig deelwoord)
Soorten werkwoorden
Zelfstandig werkwoord = werkwoord dat in een zin de kern van de handeling
of gebeurtenis zelfstandig kan uitdrukken (zie
ook: Zelfstandig werkwoord).
Hulpwerkwoord
= werkwoord dat overblijft als het zelfstandig werkwoord is bepaald; kan alleen
met behulp van andere werkwoorden het gezegde vormen.
Koppelwerkwoord = vormt samen met een naamwoord
het naamwoordelijke gezegde. (zie: Koppelwerkwoord)
Wederkerende werkwoord = gaat een verbinding aan
met een wederkerend voornaamwoord (zie:
Wederkerend werkwoord)
Naar
boven
Zelfstandig
werkwoord
- Werkwoord dat in een zin met meerdere werkwoorden onmisbaar is
- De andere werkwoorden (hulpwerkwoorden) kunnen wel gemist worden
- Het zelfstandig werkwoord geeft de exacte handeling aan
Hoe je het zelfstandig werkwoord vindt, zie je aan het volgende voorbeeld:
Jan zal een huis willen
laten bouwen. (Vraag je af:wat is de pv? Laat dat woord nu weg) Je
krijgt dan:
Jan wil een huis laten bouwen.(Vraag je af: wat is de pv? Laat dat woord nu weg) Je krijgt dan:
Jan laat een huis bouwen.
(Vraag je af: wat is de pv? Laat dat woord nu weg) Je krijgt dan:
Jan bouwt een huis. 'Bouwt' is het zelfstandig
werkwoord.
Naar
boven
Werkwoordelijk
gezegde en persoonsvorm
- Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit álle werkwoorden in de zin.
- Het zegt iets over wat het onderwerp doet.
Voorbeelden:
Vader schrijft een brief
Hij moet er nog meer schrijven
Zou je dat voor me willen doen?
Britney Spears heeft een nieuwe plaat gemaakt.
Binnen het
gezegde zit ook de persoonsvorm opgesloten. Die
kun je vinden op de volgende wijze:
Persoonsvorm
- Maak de zin vragend. Het werkwoord dat voorop staat is de persoonsvorm.
- Kijk welk werkwoord je in een andere tijd kunt zetten (tegenwoordige tijd/verleden
tijd)
- Kijk welk werkwoord je kunt veranderen in getal (enkelvoud/meervoud)
Voorbeelden:
Kelly houdt van muziek: Houdt
Kelly van muziek? (vragend maken)
Kelly hield van muziek. (tijd)
Kelly en Manon houden van muziek. (enkelvoud/meervoud)
Naar
boven
Werkwoorden
van Engelse herkomst
1
Als het hele werkwoord min -en eindigt op een klinker, krijgt de verleden tijd
-de en het voltooid deelwoord -d.
bingoën ik bingo
bingode gebingood.
rugbyen ik rugby rugbyde gerugbyd.
2
Als het hele werkwoord min -en eindigt op een medeklinker, gaat de vervoeging
volgens de kofschipregel. Als de medeklinker in 't kofschip zit, krijgt de verleden
tijd -te en het voltooid deelwoord -t; in de andere gevallen -de respectievelijk
-d. Het gaat hierbij niet om de letters maar om de klanken; in finishen horen
we voor de -en een sisklank.
scrabbelen ik scrabbel
scrabbelde gescrabbeld
faxen ik fax faxte gefaxt
In de Engelse spelling geeft een e soms de uitspraak van de voorafgaande (mede)klinker
aan. Vergelijk her en here. Deze uitspraak-e in de stam blijft staan in de vervoeging.
barbecuen ik barbecue
barbecuede gebarbecued
breakdancen ik breakdance breakdancete gebreakdancet
Uitzondering: als de uitspraak-e betrekking heeft op een o-klank, zoals in scoren,
verdwijnt die e en wordt de o verdubbeld:
scoren ik scoor
scoorde gescoord
In de Engelse spelling geeft een verdubbeling van een medeklinker soms ook de
uitspraak van de voorafgaande klinker aan. De dubbele medeklinker verdwijnt
als de klank is vernederlandst of ook in het Nederlands voorkomt:
volleyballen ik volleybal
volleybalde gevolleybald
yellen ik yel yelde geyeld
Soms is het onduidelijk of de klank voorafgaand aan -en tot 't kofschip behoort.
Sommige taalgebruikers spreken in leasen een s uit, andere een z. In briefen
en golfen zeggen sommigen een /f/, anderen een /v/. In zulke gevallen zijn beide
vervoegingen mogelijk:
leaste/leasde
gegolft/gegolfd
3
Werkwoorden die met een klinker beginnen, krijgen een trema bij het voltooid
deelwoord (geen koppelstreepje).
uploaden ik upload
uploadde geüpload
e-mailen ik e-mail e-mailde geë-maild
Naar
boven
Naamwoordelijk
gezegde
Het naamwoordelijk gezegde zegt iets over de situatie van het onderwerp (je kunt
zeggen dat het een toestand uitdrukt), namelijk:
- Wát het onderwerp is, blijft
of wordt (Verwar dit niet met het werkwoordelijk
gezegde. Het wwg zegt wat het onderwerp doet.)
Het nwg bestaat uit een koppelwerkwoord (en soms
nog meer werkwoorden) = het werkwoordelijk deel én een naamwoord
= het naamwoordelijk deel.
Koppelwerkwoorden zijn:
zijn (is), worden, heten, blijven, schijnen, lijken, blijken, dunken en vóórkomen
Je vindt het nwg door jezelf de volgende vraag te stellen: 'Wat is/blijkt/schijnt/etc.
het onderwerp?'
Voorbeelden:
Jan is ziek - 'is'
= werkwoordelijk deel; 'ziek' = naamwoordelijk
deel
Vroeger was hij gitarist
- 'was' = werkwoordelijk deel; 'gitarist'
= naamwoordelijk deel
Zijn vrouw blijkt aardiger - 'blijkt'
= werkwoordelijk deel; 'aardiger' = naamwoordelijk
deel
Let op: 'Jan is in de tuin' heeft geen
naamw. gez. omdat 'is' hier de betekenis heeft van 'zich bevinden'.
Hetzelfde geldt voor de zin: 'De leraar zit achteraan in de zaal'.
Tip: Als je twijfelt of je met een koppelwerkwoord
te maken hebt, probeer dan het woord te vervangen. Lukt dat, dan is er sprake
van een koppelwerkwoord. Kijk maar naar het volgende voorbeeld:
De kaars is wit
De kaars blijft wit
Naar
boven
Koppelwerkwoord
Koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, blijken,
lijken, schijnen, heten, dunken, vóórkomen.
Het is een werkwoord waarvan de zelfstandigheid ontbreekt. Het is gekoppeld aan
een ander woord of andere woorden (zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord
of een combinatie van die twee). Dan pas kan het de functie van werkwoord vervullen.
-Stel jezelf de vraag wat er met het onderwerp is. Indien die vraag nodig is,
blijkt dat er een koppelwerkwoord aanwezig is.
Voorbeelden:
Dat bedrijf is failliet. (Dat bedrijf is
zegt niets.)
Hij blijkt een slechte verliezer. (Hij blijkt
zegt niets.)
Tip: als je twijfelt of je met een koppelwerkwoord
te maken hebt, probeer dan het woord te vervangen. Lukt dat, dan is er sprake
van een koppelwerkwoord. Kijk maar naar het volgende voorbeeld:
Het gordijn is wit.
Het gordijn blijft wit.
Naar
boven
Lijdend voorwerp
Het lijdend voorwerp vind je
door de volgende formule toe te passen:
Wie of wat + gezegde + onderwerp
Voorbeelden:
Ook volwassenen lezen tegenwoordig strips = Wat lezen
volwassenen? = strips
Tom Poes helpt deze heer van stand = Wie helpt Tom
Poes? = deze heer van stand
Geen sprake van een lijdend voorwerp is er als:
- Een zinsdeel begint met een voorzetsel (Hij houdt van
aardbeien.)
- Er een vorm van 'zijn' of 'worden' in de zin staat (Karin is
ziek) (Jan wordt goochelaar)
Toch nog twijfel?
Twijfel je nog steeds of iets wel of niet een lijdend voorwerp is, dan kun je
dat testen door de passiefproef te doen. Bij zo'n proef herschrijf je de zin.
Je zet dan het lijdend voorwerp voorop in de zin en je maakt het ook nog eens
het onderwerp. Daarnaast voeg je een vorm van 'worden' of 'zijn'
toe én vervolgens het woordje 'door'. Het gaat als volgt:
Veronderstel, je hebt de volgende (actieve) zin: De boer melkt de
koe.
In deze zin is de koe het lijdend voorwerp, want: wie/wat + gezegde
+ onderwerp = de koe
Maak nu een nieuwe zin waarbij je het lijdend voorwerp voorop zet. Je begint je
zin dus met: De koe... Dit wordt dan meteen
het onderwerp.
Vervolgens voeg je een vorm van 'worden' of 'zijn' toe. In dit geval
nemen we het woord 'wordt'. Je krijgt dan:
De koe wordt... (De koe = onderwerp,
wordt = persoonsvorm)
Voeg nu het woordje 'door' toe, gevolgd door
de boer (het
onderwerp in de actieve zin) .
Je hebt nu een bijwoordelijke bepaling toegevoegd (door de boer). Je hebt
nu:
De koe wordt door de boer...
Nu hoef je er alleen nog maar het woord 'gemolken' achteraan te plakken.
De passieve zin luidt dan:
De koe wordt door de boer gemolken.
Je hebt de zin nu veranderd van een actieve zin naar een passieve zin.
Wat opvalt is dat je het woordje 'door' hebt toegevoegd. Dat woord tezamen
met 'de boer' vormt een bijwoordelijke bepaling.
Wat je ook hebt toegevoegd is een vorm van 'worden' of 'zijn'. In
dit geval heb je 'wordt' toegevoegd.
Samenvattend kun je dus zeggen dat je een actieve
zin (met lijdend voorwerp) kunt omzetten in een passieve zin door:
- het lijdend voorwerp voorop te zetten en het ook nog eens onderwerp te maken
en
- een vorm van 'worden' of 'zijn' toe te voegen en
- het woordje 'door' voor het in de actieve zin zijnde onderwerp te plaatsen
(dus er een bijwoordelijke bepaling van te maken)
Naar
boven
Samenstelling
en afleiding
Samenstelling
Je kunt van twee of meer woorden één woord maken. Zo'n woord heet
dan een samenstelling. Zo'n combinatie wordt als eenheid, als geheel gezien. Het
eerste deel van de samenstelling heeft meestal de functie van soortaanduider bij
het tweede deel. Voorbeelden van samenstellingen zijn:
water-meloen - fietsen-rek - voetbal-schoen
- lange-termijn-gevolg, prentbriefkaartententoonstelling
Afleiding
Je kunt ook een voor- of achtervoegsel aan een bestaand
woord (het grondwoord)
toevoegen. Dit heet een afleiding.
Voorbeelden van een voorvoegsel zijn: on-getrouwd,
on-menselijk
Voorbeelden van een achtervoegsel zijn: bekend-heid,
laks-heid, bedacht-zaam
De voor- en achtervoegsels hebben een betekenis. Voorbeelden van de globale betekenis
van sommige soorten toevoegsels zijn:
- on = niet (onbekend)
- achtig = ongeveer (zenuwachtig)
- ver = verkeerd (vermist)
- wan = slecht (wanklank)
- her = opnieuw (heropvoeden)
- baar = kan worden (bereikbaar)
- be = voorzien van (bebossen)
- loos = zonder (pijnloos)
Naar
boven
Tangconstructie
Van een tangconstructie is sprake wanneer er tussen twee delen die bij elkaar
horen veel 'ruimte' zit.
Voorbeeld
Zijn vriendin gaf hem vanavond
voordat hij naar zijn moeder ging, een kus.
Je ziet hier dat de bij elkaar horende (witgemarkeerde) delen ver van elkaar verwijderd
zijn. De twee delen vormen als het ware een tang.
Zo'n constructie komt de leesbaarheid vaak niet ten goede. Het duurt dan ook erg
lang voordat je bij de kern van de zin bent. Beter is om de zin als volgt te schrijven:
Zijn vriendin gaf hem vanavond een kus, voordat
hij naar zijn moeder ging.
Naar
boven
Tussenletter
-e(n) of -s
Samenstellingen zijn gemaakt van meerdere
woorden. Soms zit er tussen twee gekoppelde woorden een tussenletter.
Deze tussenletter is meestal een -e of een -s.
De -e als tussenletter gebruik je:
- als het eerste deel geen zelfst. nmw. is (rodekool)
- als het eerste deel geen meervoud heeft (rijstepap)
- als het eerste deel meervoud heeft op -s (horlogemaker
- want het meervoud is horloges)
Letter -n toevoegen aan letter -e
Soms voeg je aan de -e nog de letter -n
toe. Dat doe je als:
- het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat
in meervoud op -en eindigt: boerendochter - fietsenmaker
De tussen-n-regel is overigens deels veranderd. Bij de oude spelling mocht er geen -n worden toegevoegd aan samenstellingen waarvan het eerste deel een dierennaam was terwijl het tweede deel een plantkundige aanduiding bevatte, zoals paardebloem en kattekruid. Bij de nieuwe spelling plaats je in dit geval de -n wel: paardenbloem - kattenkruid. Tja, men moet wat om het leven van zo'n doodsaaie taalpurist te voorzien van enige opwinding.
De -s als tussenletter
In samenstellingen schrijf je de tussenletter -s- als het eerste woord niet op
een sisklank eindigt en het tweede woord niet met een sisklank begint, terwijl
je tussen de twee delen wel een -s hoort:
bakkersroom, moederskindje, meningsverschil, stadsdeel, verlovingstijd, huwelijksadvertentie.
Je schrijft tevens een tussen-s in samenstellingen waarvan het tweede deel met
een sisklank begint. In dit geval kun je niet op je gehoor afgaan. Toch kun je
controleren of er een -s geschreven moet worden. Kies een andere samenstelling
waarvan het tweede woord niet met een -s begint. Een voorbeeld.
Is het nu stationchef of
stationschef? Het antwoord is simpel. Kies een andere samenstelling, bijvoorbeeld
stationshal. Je ziet (en hoort) een tussen-s, dus is het antwoord op je vraag:
stationschef.
Let op:
Er zijn veel samenstellingen waarin de een wel een tussen-s uitspreekt en de ander
niet. Die samenstellingen kun je op twee manieren schrijven. Voorbeelden hiervan
zijn:
dood(s)klap, drug(s)baron, handel(s)maatschappij, inkoop(s)prijs, spelling(s)controle,
tijd(s)verschil, voorbehoed(s)middel, wet(s)tekst.
Geen tussenletter
Soms gebruik je geen tussenletter: deurbel - prikklok - automonteur
Vuistregels
Wel een tussen-s:
als het woord eindigt op -waardig, -waard, -gewijs, -halve: lovenswaardig, zienswaard, sprongsgewijs, veiligheidshalve;
als het eerste woorddeel eindigt op -heid, -ing of -teit: gezondheidseffect, aanbiedingsprijs, universiteitsblad, medewerkerstevredenheidsonderzoek;
als het eerste deel een mannelijke persoonsaanduiding is op -er, -eur, -ier of -aar en een meervoud op -s heeft: werknemersorganisatie, adviseursfunctie, koeriersdienst, kunstenaarscafé;
als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat begint met be-, ge- of ver-: bedieningspost, gebedshuis, vernieuwingsdrift (uitzonderingen zijn onder andere geheimschrift en verbanddoos).
Geen tussen-s:
als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat niet verwijst naar een levend wezen en (ook) een meervoud heeft op -s: motorboot, televisieprogramma, theatergezelschap;
als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat eindigt op -ier en geen persoon aanduidt: alvleesklierontsteking, spierkracht;
als het eerste deel een werkwoordstam is: babbelkous, loopafstand, rekenhulp (uitzonderingen: leidsman, scheidsrechter);
als het woord eindigt op -schap (in de betekenis ‘hoedanigheid, het zijn van’): blijdschap, slachtofferschap;
als het eerste woorddeel een stof aanduidt en niet telbaar is: aluminiumfolie, bierglas, koffieboon (maar wel meestal houtskool, bloedsomloop).
Naar
boven
Synoniemen
en homoniemen
Synoniemen
-Synoniemen zijn meerdere woorden met dezelfde betekenis: 'huis'
en 'woning', 'fiets'
en 'rijwiel'. Vaak vind je ze bij kruiswoordpuzzels.
- Soms vind je ze ook op zinsniveau (maar... soms is dan de ene uitdrukking gewoner
dan de andere):
'Deze persoon gedroeg zich verdacht.' wordt
'Die vent deed iets geks'.
Homoniem
Een homoniem is één woord met twee
of meerdere betekenissen: 'bank', 'arm', 'loop':
Ik ga op de bank liggen. - Mijn spaargeld staat
op de bank.
Hij brak zijn arm. - Dat gezin is arm.
Ik loop op straat - De loop
van het geweer is krom.
Naar
boven
Tante
Betje
Een tante Betje is een stijlfout. De naam is afkomstig van taalcriticus Charivarius,
die de fout vaak aantrof in de brieven van zijn tante Betje.
De tante-Betjeconstructie komt voor als twee hoofdzinnen aan elkaar gekoppeld
zijn met en, want of maar en in de tweede hoofdzin ten onrechte
inversie wordt toegepast of gesuggereerd (inversie is het omdraaien van de volgorde
onderwerp - persoonsvorm).
Simpel gezegd: tante Betjes zijn zinnen waarin het onderwerp ten onrechte na de
persoonsvorm wordt geplaatst.
Er zijn drie typen tante-Betjezinnen:
1. Zinnen
zonder inversie in de eerste hoofdzin en met inversie in de tweede:
We gaan straks naar de Efteling en komen we pas
laat in de avond thuis.
Zulke tante Betjes zijn opvallend. Ze komen echter niet vaak voor.
2. Zinnen
met inversie in de eerste en de tweede hoofdzin:
Met genoegen deel ik u mee dat u een prijs hebt gewonnen, en hoop
ik dat u bij de prijsuitreiking aanwezig bent.
De inversie in de tweede hoofdzin suggereert dat het zinsdeel dat de inversie
in de eerste hoofdzin veroorzaakt ('met genoegen') in de tweede ingevuld
moet worden ('met genoegen hoop ik ...'). De zin klopt grammaticaal wel,
maar de betekenis is onjuist.
3. Zinnen
met inversie in de eerste hoofdzin en gesuggereerde inversie in de tweede:
Volgende maand gaan we verhuizen en (..) moeten
nu alvast een nieuw bed uitzoeken.
Hier is in de tweede zin het onderwerp ten onrechte weggelaten.
Naar
boven
Tussenwerpsel
Een tussenwerpsels is een uitroepend
of klanknabootsend woord (of een combinatie van woorden) dat los staat van de
zin.
Voorbeelden van klanknabootsing:
- Pats, die klap is voor jou!
- Plons, en daar lag hij in het water.
- Roets, weg was de haas.
Voorbeelden van uitingen van het gevoel:
- Au, dat deed zeer.
- Bah, wat een vieze taart.
- Dat is mooi, he.
Voorbeelden van seinen:
- Pst, luister eens.
- Halt, tot hier en niet verder!
- Ho, dat gaat zo maar niet.
Naar
boven
Hun of hen - als
of dan - dat of wat - daarom of daardoor - omdat of doordat
Wanneer zeg je 'hen' en wanneer zeg je 'hun'?
Hen
Hen gebruik je als het woord de functie heeft van lijdend voorwerp:
- Ik zie hen lopen. (Wie zie ik lopen? Hen.)
- Ik heb hen gezien. (Wie heb ik gezien? Hen.)
Tevens gebruik je hen na een voorzetsel:
- Ik geef het boek aan hen.
- Ik zong het lied voor hen.
- Ik ging naast hen zitten.
Hun
Hun gebruik je als het woord de functie heeft van meewerkend voorwerp waar géén
voorzetsel voor staat:
- Ik heb hun het boek gegeven.
- Ik deel het hun mee.
Tip:
je hebt met een meewerkend voorwerp te maken als je 'hun' kunt vervangen door
'aan hen'.
Hun gebruik je tevens wanneer
het woord als bezittelijk voornaamwoord wordt gebruikt:
- Hun paard sloeg op hol.
- Hun huis is groot.
Tip:
Als in de zin de klemtoon ligt op hen of hun én het betreft personen,
dan kun je hen of hun vervangen door het woord ze:
- Je hebt hen te pakken. - Je hebt ze
te pakken.
- Ik heb hun een gebakje gegeven. - Ik heb ze
een gebakje gegeven.
Met hen of hun kun je niet naar zaken verwijzen. Je kunt dus niet zeggen:
Mijn voetbalschoenen,
waar heb je hen/hun
gezien?
Zodra je naar zaken verwijst, gebruik je het woord die - als daar de klemtoon
op ligt - of het woord ze:
Mijn voetbalschoenen, waar heb je die/ze
gezien?
Wanneer
zeg je 'dat' en wanneer zeg je 'wat'?
- Dat
slaat op iets bepaalds
- Wat slaat op iets onbepaalds of op een hele zin.
Twee voorbeelden:
David sprak de halve dag over het contract, wat
Rachel onnodig vond.
David sprak de halve dag over het contract dat Rachel
onnodig vond.
In de eerste zin verwijst
het woord wat naar de gehele zin voor de komma. Rachel vindt het onnodig dat
David zo lang sprak over het contract. Misschien was dat wel omdat Rachel het
contract al uitgebreid had bestudeerd.
In de tweede zin verwijst het woord dat alleen maar naar het contract. Rachel
vindt het bestaan van dat contract niet nodig.
Nog
twee zinnen:
Het duo veranderde het
voorstel dat we goed vonden.
Het duo veranderde het voorstel, wat we goed vonden.
In de eerste
zin verwijst 'dat' naar 'het voorstel'.
Dát voorstel vonden we goed.
In de tweede zin verwijst 'wat'
naar de gehele zin voor de komma. Wij vonden het goed dat het duo het voorstel
veranderde.
Let op:
woorden als alles, enige, dat(gene) en iets kun je als onbepaald
zien. In die gevallen gebruiken we 'wat'.
Zij heeft alles
gedaan wat in haar vermogen lag. (nu staat 'alles'
in de zin (= onbepaald), dus 'wat')
Dat wat je nu zegt,
is volstrekt onjuist. (hier staat 'Dat' in de zin (= onbepaald), dus volgt 'wat')
Is er nog iets wat
nu besproken moet worden? (hier wordt het woord 'iets' gebruikt (= onbepaald),
dus 'wat')
Wanneer zeg je 'daarom' of 'daardoor' én wanneer
zeg je 'omdat' of 'doordat'?
- Daarom
geeft een reden aan
- Daardoor geeft een oorzaak
aan
- Omdat geeft een reden
aan
- Doordat geeft een oorzaak
aan
- Bij
een reden staat de menselijke wil voorop; jij of iemand anders kiest ergens
voor.
- Bij een oorzaak heb je het zelf niet in de hand. Het
overkomt je.
De scholiere
kwam te laat omdat ze geen zin had in scheikunde.
(reden)
De scholiere had geen zin in scheikunde. Daarom
kwam ze te laat. (reden)
De scholiere kwam te laat doordat ze betrokken
was bij een ongeluk. (oorzaak)
De scholiere was betrokken bij een ongeluk. Daardoor
kwam ze te laat. (oorzaak)
Wanneer
zeg je 'als' en wanneer zeg je 'dan'?
- Zodra er 'zo'
staat, gebruik je 'als':
Net zo groot als...;
niet zo groot als...;
driemaal zo groot als...;
bijna zo groot als...
- Bij 'hetzelfde'/'dezelfde'
gebruik je 'als':
Dezelfde hoeveelheid als
...
- Bij 'even'
gebruik je 'als':
Even groot als
...
- Bij de vergrotende
trap gebruik je 'dan':
Groter dan, beter
dan, meer dan ...
Naar
boven
Voorzetselvoorwerp
Een voorzetselvoorwerp
begint altijd met een vast voorzetsel. (Er
is sprake van een vast voorzetsel, als het zelfstandig werkwoord van de zin in
een bepaalde betekenis maar met één voorzetsel gecombineerd kan
worden.)
Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met het gezegde.
- Ik twijfel aan zijn inzet (twijfelen aan...) (weglaten
van het voorzetsel 'aan' is onmogelijk)
- Ik ben niet tevreden met deze auto (tevreden zijn
met...) (weglaten van het voorzetsel 'met' is onmogelijk)
- Ik verlang al tijden naar de zomervakantie (verlangen
naar...) (weglaten van het voorzetsel 'naar' is onmogelijk)
- Ik waarschuwde hem voor de gevolgen (waarschuwen
voor...) (weglaten van het voorzetsel 'voor' is onmogelijk)
Let op!
Als het zinsdeel dat begint met een voorzetsel een plaats aangeeft, is het een
bijwoordelijke bepaling:
- Zij stonden voor een gesloten deur.
- Zij wacht op het plein.
- Hij werkt op zaterdag in de supermarkt.
Naar
boven
Wijzen
Met 'wijs' wordt eigenlijk een manier van zich uitdrukken
bedoeld. Met behulp van een werkwoord kan op een bepaalde manier aangegeven worden
hoe een zin zich volgens de spreker verhoudt tot de werkelijkheid. Hieronder worden
drie wijzen (nee, niet die uit het oosten) behandeld.
1. Aantonende
wijs (indicatief)
2. Aanvoegende
wijs (conjunctief)
3. Gebiedende wijs (imperatief)
Aantonende wijs
Deze wijs wordt gebruikt om een werkelijkheid uit te drukken. Het is de meest
voorkomende vorm. Je drukt iets algemeens en neutraals ten opzichte van de werkelijkheid
uit.
Voorbeelden zijn:
- Het is stil
- Hij rust uit
Aanvoegende wijs
Deze wijs wordt gebruikt om een niet-werkelijkheid uit te drukken: een
wens. Deze wijs komt overigens heel ouderwets over. Je zult de aanvoegende
wijs dan ook niet veel tegenkomen.
Voorbeelden zijn:
- Dat hij ruste in vrede
- Leve de koningin
- Moge het stil worden
Opvallend is hier de vervoeging van het werkwoord. De uitgang -e
is kenmerkend voor de aanvoegende wijs.
Gebiedende wijs
De gebiedende wijs wordt gebruikt om een bevel of
een dringend verzoek uit te drukken.
- Bij deze wijs staat de persoonsvorm voorop.
- Er is (meestal) geen onderwerp
aanwezig bij gebiedende wijs
- Bij gebiedende wijs schrijf je de persoonsvorm als stam
- De persoonsvorm kun je niet in de verleden tijd zetten
Voorbeelden zijn:
- Kom onmiddellijk terug!
- Trek je jas aan.
- Wees stil.
- Kom
van dat dak af
Naar
boven
Werkwoordstijden
De werkwoordsvorm in een zin
geeft onder andere informatie over tijd. Hieronder volgt een algemene beschrijving
van het tijdsaspect van werkwoordsvormen. De beschreven vormen zijn:
1. Praesens oftewel onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)
2. Imperfectum oftewel onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)
3. Perfectum oftewel voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)
4. Plusquamperfectum oftewel voltooid verleden tijd (v.v.t.)
Praesens/Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)
Deze vorm gebruik je als je:
A. een handeling of situatie wilt beschrijven die nu, op dit moment gebeurt (momentane aspect):
- Ik schrijf een boek.
- Ik deel je mee dat ik nog steeds hier ben.
B. Als er sprake is van een blijvende (duratieve aspect) of steeds terugkerende handeling of situatie (iteratieve aspect):
- Ik kijk iedere dag naar GTST.
- Parijs is de hoofdstad van Frankrijk.
- Jan kijkt nooit televisie.
C. Als er wordt verwezen naar een situatie in de toekomst (futurum):