© 2005 - 2016


Bedoeld

Heel veel pijn wordt vaak gevoeld
dankzij niet- en goedbedoeld.

Uit de bundel GewoneMensentaal© van Cees Phielix


A
Aaneen of los
Aanhalingstekens
Aantonende wijs
Aanvoegende wijs
Aanwijzend voornaamwoord
Accenttekens
Afbreekteken
Afkortingen
Afleiding
Afleidingsmorfeem
'Als' of 'dan'
'Als' of 'wanneer'
Ambiguïteit
Anakoloet
Antecedent
Apostrof
Archaïsch taalgebruik

B
Bedrijfsnamen
Bedrijvende vorm
Beeldspraak
Beide of beiden
Beknopte bijzin
Beletselteken
Bepaald en onbepaald telwoord
Beperkende bijzin
'Beslissen' of 'besluiten'
Betrekkelijk voornaamwoord
Bezitsvorm
Bezittelijk voornaamwoord
Bijvoeglijke bepaling
Bijvoeglijke bijzin
Bijvoeglijk naamwoord
Bijwoord
Bijwoordelijke bepaling
Bijwoordelijke bijzin
Bijzin
'Blijkbaar' of 'schijnbaar'

C
Citaat
Cliché
Congruentie
Contaminatie
Contradictio in terminis

D
'd' of 't'
'Daardoor' of 'daarom'
'Daarom' of 'daardoor'
'Dan' of 'als'
'Dan' of 'toen'
'Dat' of 'die'
'Dat' of 'wat'
'De' of 'het'
'Die' of 'dat'
Directe en indirecte rede
'Doordat' of 'omdat'
Dubbele ontkenning
Dubbele punt
Dysfemisme

E
'Elk' of 'ieder'
Ellips
Enkelvoudige zin
Enkelvoud of meervoud
Eufemisme

F
Figuurlijk taalgebruik
Flexiemorfeem
Foutief beknopte bijzin
Foutieve samentrekking

G
Gebiedende wijs
Gedachtestreepje
Geslacht
Getallen
Gezegde (zie ook ww-gezegde en nmw-gezegde)
Gezegdes en spreekwoorden

H
Haakjes (ronde)
'Haar' of 'zij'
'Hebt' of 'heeft'
'Heeft' of 'hebt'
'Hem' of 'hij'
'Hen' of 'hun'
'Het' of 'de'
Hiaat
'Hij' of 'hem'
'Hoe lang' of 'hoelang'
'Hoe ver' of 'hoever'
Homoniem

Hoofdletter na getal in begin van een zin
Hoofdletter en kleine letter
Hoofdtelwoorden
Hoofdzin
Hulpwerkwoorden
'Hun' of 'hen'
Hyperbool

I
'Ieder' of 'elk'
'Ik' of 'mij'
Imperfectum
Indirecte en directe rede
Infinitief
Infix

J
'Jij' of 'jou'
'Jou' of 'jij'

K
'Kan' of 'kunt'
Kleine letter en hoofdletter
't Kofschip
Komma
Komma vóór 'en'
Koppel- of scheidingsteken
Koppelwerkwoord
'Kunt' of 'kan'

L
Leestekens
Leenwoorden
Letterlijk taalgebruik
Lidwoord
Lijdend voorwerp
Lijdendvoorwerpszin
Lijdende vorm
Loos onderwerp
Los of aaneen

M
Mannelijke/vrouwelijke woorden
Meervoud of enkelvoud
Meervoud -n bij 'beide' of 'beiden'
Meewerkend voorwerp
Meewerkendvoorwerpszin
'Mij' of 'ik'
'Mits' of 'tenzij'
Morfeem

N
Naamvalsvormen
Naamwoordelijk gezegde (zie ook 'gezegde')
Nevenschikkend voegwoord
Nevenschikking
Nieuwe spelling

O
'Om' (het gebruik van)
'Omdat' en 'doordat'
Onbepaald en bepaald telwoord
Onbepaald voornaamwoord
Onderschikkend voegwoord
Onderwerp
Onderwerpszin
'Ons' of 'wij'
Onscheidbare werkwoorden
Ontkenning
Ontleden
Onvoltooid en voltooid deelwoord
Onvoltooid tegenwoordige tijd,
Onvoltooid verleden tijd
Onzijdige woorden
Overtreffende trap

P
Parabool
Perfectum
Persoonlijk voornaamwoord
Persoonsvorm
Persoonsvorm in tt
Persoonsvorm in vt
Plaatsonderwerp
Pleonasme
Plusquamperfectum
Praesens
Prefix
Praeteritio
Proleptische ontkenning
Punt
Puntkomma

R
Rangtelwoorden
Redekundig en taalkundig ontleden
Ronde haakjes

S
Samengestelde zin
Samenstelling
Samentrekking
Scheidbare werkwoorden
'Schijnbaar' of 'blijkbaar'
Semi-directe rede
Spreekwoorden en gezegdes
Stam (+t)
Stammorfeem
Stellende trap
Sterke werkwoorden
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
Stoplap
Suffix
Superlatief
Synoniem

T
't ' of 'd'
Taalkundig en redekundig ontleden
Tangconstructie
Tante Betje
Tautologie
Tegenwoordig deelwoord
Tegenwoordige tijd
Telwoorden
'Tenzij' of 'mits'
Tijden
'Toen' of 'dan'
Trappen van vergelijking
Trema
Tussenletter -e(n) of -s
Tussenwerpsel

U
Uitbreidende bijzin
Uitlooponderwerp
Uitroepteken

V
'Van wie' of 'waarvan'
Verbuigingen en vervoegingen
Vergrotende trap
Verleden tijd
Verkleinwoorden
Vervoegingen en verbuigingen
Verwijswoorden
Voegwoord
Voltooid en onvoltooid deelwoord
Voltooid tegenwoordige tijd
Voltooid verleden tijd
Voorlopig onderwerp
Voornaamwoorden
Voorzetsel
Voorzetseluitdrukking
Vaste voorzetsels
Voorzetselvoorwerp
Voorzetselvoorwerpszin
Vraagteken
Vragend voornaamwoord
Vrouwelijke/mannelijke woorden
Vulgarisme

W
'Waarvan' of 'van wie'
'Wanneer' of 'als'
'Wat' of 'dat'
Wederkerend voornaamwoord
Wederkerend werkwoord
Wederkerig voornaamwoord
Weglatingsteken
Werkwoord
Werkwoorden (on)scheidbaar
Werkwoordstijden
Werkwoordsvormen
Werkwoordelijk gezegde (zie ook 'gezegde')
Werkwoorden van Eng. afkomst
'Wij' of 'ons'
Wijzen
Woordgeslacht
Woordsoorten
Woordvolgorde

Z
'Zal' of 'zult'
Zelfstandig naamwoord
Zelfstandig werkwoord
'Zij' of 'haar'
'Zij' of 'hen/hun'
Zinsdelen
'Zult' of 'zal'
Zwaarwichtig taalgebruik
Zwakke werkwoorden


online web analytics
bezoeker teller

Aanhalingstekens en citaat

Wanneer gebruik je aanhalingstekens?

- Als je letterlijk opschrijft wat iemand zegt (citaat).
- Als je aan wilt geven dat een of meerdere woorden niet in de normale betekenis ervan worden gebruikt.

Waar plaats je aanhalingstekens?
- Aan het begin en het einde van een citaat.

Welke soort aanhalingstekens kun je gebruiken?
- Dubbele aanhalingstekens " - "

- Enkele aanhalingstekens ' - ' (deze gebruik je ook als een woord een andere betekenis krijgt: Hij protesteert uit gewoonte. Hij is een echte 'spijkerzoeker'.

Het is gebruikelijk om bij een citaat dubbele aanhalingstekens te gebruiken. Bij een citaat binnen een citaat gebruik je enkele aanhalingstekens. Gebruik wel steeds dezelfde manier, dus wees consequent.

Bij een citaat kan vooraf, achteraf of in het midden worden aangegeven wie het citaat zegt.
- Piet zei: "Weet je dat een deel van de ingezonden brieven in de WUZ-rubriek in De Telegraaf door de redacteuren zelf geschreven wordt?"
- "Ze noemen zich daarbij Henk Versteeg uit Nunspeet en Kees van de Burg uit Oosterwolde", sprak Lisa.
- "Tja", sprak Piet somber, "elke week kom je hun namen tegen. Over geloofwaardigheid gesproken. Ach, die heeft die krant toch al niet."

Let op: als de schrijver in zijn eigen woorden weergeeft wat iemand zegt, dan is dat géén citaat. Voorbeeld:

"Ik ga niet mee", zei Tessa. (= citaat) Tessa zei dat ze niet meeging. (= geen citaat)

Ten overvloede: de eerste letter van een citaat begint altijd met een hoofdletter!


Leestekens binnen of buiten het citaat?

Het gebruik van leestekens (punt, komma, vraagteken of uitroepteken), levert bij citaten vaak moeilijkheden op. Moet zo'n leesteken nu binnen of buiten de aanhalingstekens staan? Hieronder volgt een leidraad.



Komma tussen de aanhalingstekens
plaatsen?


"Piet," sprak Manon, "ik heb jouw vader niet gezien."

Hier hoort de komma binnen de aanhalingstekens te staan, want hij hoort bij het citaat. Dit kun je controleren door de zin anders te formuleren:

Hij sprak: "
Piet, ik heb jouw vader niet gezien." (Je ziet dat hier de komma binnen het citaat valt.)

Een ander voorbeeld:

"Jouw vader", zei Piet, "heb ik niet gezien."

Hier hoort de komma buiten de aanhalingstekens te staan, want hij hoort niet bij het citaat. Dit kun je controleren door de zin anders te formuleren:

Piet zei: "Jouw vader heb ik niet gezien."


Punt tussen de aanhalingstekens plaatsen?

"Ik heb geen behoefte aan roddels."
De actrice mopperde: "Ik heb geen behoefte aan roddels."


In beide gevallen wordt de hele zin (Ik...roddels.) aangehaald. Daarom staat de punt binnen de aanhalingstekens.


Vraagteken tussen de aanhalingstekens?

Van belang hierbij is om te kijken of de vraag binnen het citaat valt of niet. Twee voorbeelden:

1. Zei de actrice werkelijk: "Ik heb geen behoefte aan roddels"?
2. Later dacht ik: "Waarom ben ik actrice geworden?"

Bij voorbeeld 1 komt het vraagteken ná het aanhalingsteken. Het gaat hier namelijk om een vragende zin die een citaat omvat.
Bij voorbeeld 2 komt het vraagteken binnen de aanhalingstekens. In dit geval zit de vraag opgesloten in het citaat.

Naar boven
Accenttekens en trema

Accenttekens

In de Nederlandse taal gebruiken we een aantal uit Frankrijk afkomstige woorden die voorzien zijn van accenttekens.
De accenten zijn:

- accent aigu:
logé, café, defilé (dit accent maakt de klank langer)
- accent grave:
carrière, confrère (dit accent maakt de klank korter)
- accent circonflexe:
bêta, enquête
- c-cedille: Curaçao, reçu

Je gebruikt geen accent bij:
- de Franse é aan het begin van een woord: elegant, etage
- de vrouwelijke vormen van woorden die op é eindigen: prostituee - prostitué, logee - logé - attachee - attaché
- accenten op a, o, u. Dan vervalt bijna altijd het accent: debâcle wordt debacle

Alleen woorden die nog zuiver Frans aanvoelen behouden een accent: tête a tête, déjà vu.

Trema

- Bij een trema komen er boven de klinker twee puntjes te staan: ä - ö - ë.
- Het trema gebruik je om een reeks klinkers los van elkaar te lezen: financiële, beïnvloeding.
- Het trema gebruik je wanneer er onduidelijkheid kan bestaan over de uitspraak. Het wordt dan op de tweede van twee opeenvolgende klinkers geplaatst.

Voorbeelden:

Reunie. Je zegt re-u-nie en geen reu-nie. Je hoort al dat de -u los staat van de -e, dus plaats je een trema: reünie
Geindustrialiseerd
. Je zegt ge-in-du... en geen gein-du... Ook hier hoor je dat de -i los staat van de -e, dus: geïndustrialiseerd

Trema bij meervoudswoorden
Let bij meervoudswoorden op de klemtoon om te bepalen wáár het trema komt. Wanneer de klemtoon niet op de laatste lettergreep ligt, komt het trema meteen op de eerste 'e': olie, dus oliën, financien, dus financiën. Je voegt er dus geen ë aan toe!
Ligt het accent op de slot-ie, dan 'ë' toevoegen: democratie dus democratieën, drie dus drieën

Let op: niet altijd moet je een klinkerreeks los van elkaar lezen. Kijk maar naar het volgende voorbeeld.

Industrieel. Als je hier de klinkers 'los zou maken' zou je krijgen: industrie-el (maar bij verbuiging wordt het weer 'industriële)

Verder plaats je geen trema wanneer:

- er geen uitspraakproblemen dreigen
- het woorden betreft van Nederlandse herkomst waarbij twee i's op elkaar stoten: voltooiing, buiig, heiig, draaiing etc.
-
het woord een samenstelling betreft. In dat geval plaats je een onderbrekingsstreepje: zeeëgel wordt zee-egel, naäpen wordt na-apen


Naar boven

Afbreekteken

Wanneer: als het woord niet meer in zijn geheel op de regel past.
Hoe: altijd tussen twee lettergrepen.

Tip: spreek langzaam het woord en je hoort het meestal al.

De precieze 10 regels voor afbreken

1. Tussen twee delen van een samenstelling: knuffel-beest, school-feest, groeps-excursie.
2. Na een voorvoegsel: ont-dekken, her-overwegen, on-zeker.
3. Voor achtervoegsel dat met een medeklinker begint én voor de achtervoegsels -achtig en -aard: werk-ster, fortuin-lijk, rood-achtig, lui-aard.
4. Tussen twee klinkers die als losse klanken worden uitgesproken: be-amen, ge-uite, draai-en.
5. Voor enkele medeklinker die middenin het woord staat - de ch telt voor één letter en gaat door naar het volgende woorddeel:
de-len, ru-we, la-chen.
6. Tussen twee medeklinkers die middenin het woord staan: tik-ken, wer-ken, rin-gen.
7. Als er drie of meer medeklinkers middenin het woord staan, blijven rechts van het streepje zoveel medeklinkers bij elkaar als je uit kunt spreken: ek-ster, amb-tenaar, gun-stig.
8. Woorden met het achtervoegsel -tje schrijf je soms anders als je ze afbreekt: strootje - stro-tje, parapluutje - paraplu-tje.
9. Bij afbreken is een trema niet meer nodig: geëvenaard - ge-evenaard, financiële - financi-ele.
10. Voor en na de x wordt niet afgebroken: boxen, faxen, exa-men, exo-tisch.

Niet-bastaardwoorden:
- Kunnen worden afgebroken na voorvoegsels: ab-ad-di-dis-im-in-sub (ab-normaal, ad-vies, im-port, sub-sidie)
- De y gaat naar volgend woorddeel: ro-yaal
- De qu wordt bij volgend woorddeel getrokken: aqua-duct, re-quisitie, re-quiem


Naar boven
Afkortingen

- Afkortingen worden gebruikt om ruimte te winnen.
- Vaak vind je de betekenis in het woordenboek

Er zijn drie soorten afkortingen
1. Letterwoorden - beginletters van oorspronkelijke namen (PSV, KLM, ANW, WAO)
2. Schrijftaalafkortingen - vaste afkortingen die in geschreven taal voorkomen (bijv., z.s.m.)
3. Inkortingen - verkorte vorm van oorspronkelijk woord (homo, bi, bieb)

Regels voor het gebruik van een punt bij afkorting:
- Afkortingen van één woord krijgen alleen aan het einde van de afkorting een punt: jongstleden = jl., zogenaamd = zgn., dokter = dr.
- Afkortingen van meer woorden krijgen na elk afgekort woord een punt: dat wil zeggen = d.w.z., ten aanzien van = t.a.v.
- Afkortingen in hoofdletters krijgen geen punten: AOW, KLM, PSV
- Zeer veel gebruikte afkortingen krijgen geen punten: mavo, wc, tv
- Internationale symbolen krijgen geen punten: cm, kg

- Als de afkorting een naam betreft, gebruik je hoofdletters: US, CDA, PSV
- Ook afkortingen van internationale symbolen die afkomstig zijn van een naam, krijgen een hoofdletter: V van Volt, W van Watt, N van Newton.
- Afkortingen die je in spreektaal voluit zegt, schrijf je ook voluit, tenzij je ruimtegebrek of veel haast hebt (dat wil zeggen, in verband met, naar aanleiding van).

Tip: kijk ook eens op: www.afkorting.nl

Naar boven
Als of wanneer?

In principe maakt het niet uit of je als of wanneer schrijft in een zin als:

We gaan steengrillen als/wanneer hij thuiskomt.

De woorden als en wanneer zijn namelijk synoniemen (andere vorm, zelfde betekenis).

Als krijgt echter de voorkeur bij het uitdrukken van een voorwaarde:

Jan werkt alleen als hij daar zin in heeft.

Wanneer krijgt de voorkeur bij het uitdrukken van een moment:

Wanneer u dat goedvindt, bel ik volgende week terug.

Tot slot nog dit: wanneer kun je als formeel taalgebruik zien, als niet.

Naar boven

Ambiguïteit

Homoniemen zijn woorden die dezelfde vorm hebben, maar iets totaal verschillends betekenen. Denk maar aan:
- bank ('Ik haal geld van de bank' en 'Ik lig op de bank te slapen')
- arm ('Hij is arm' en 'Hij heeft zijn arm gebroken')

Ook in zinnen en woordgroepen komen homoniemen voor. Dat betekent dat je de zin of de woordgroep op verschillende manieren kunt uitleggen. Ze zijn ambigu.

Voorbeeld zinsniveau
- Ik was af (ik doe de afwas óf... bij het spelletje lag ik eruit)

Voorbeeld woordgroep
- De foto van Dirk (de foto waarop Dirk staat afgebeeld óf de foto die Dirk in zijn bezit heeft)


Ambiguïteit, voortkomend uit de zinsbouw
Ook uit de zinsbouw kan ambiguïteit voortkomen. Sommige zinnen kun je op twee manieren ontleden. Daar horen dan twee verschillende betekenissen bij. Neem de volgende zin:

Men debatteerde over hulp aan gehandicapten in de raad

Manier 1: 'over hulp aan gehandicapten' is voorzetselvoorwerp en 'in de raad' is een bijwoordelijke bepaling. In dit geval debatteerde men in de raad over hulp aan gehandicapten.

Manier 2: 'over hulp aan gehandicapten in de raad' is voorzetselvoorwerp. In dit geval debatteerde men over de hulp aan gehandicapten die in de raad zitten.


Opzettelijk gebruik ambiguïteit
Soms wordt ambiguïteit opzettelijk gebruikt, vooral door reclamemakers:

- Last van darmstoornissen? Neem DiaKuur, dat scheelt een hoop!
- Op onze calculator kun je rekenen.

Let op: bij zakelijk schrijven moet je ambiguïteit zoveel mogelijk vermijden. Daarmee voorkom je misverstanden.

Naar boven

Anakoloet

Het schrijven van lange zinnen brengt een groot gevaar met zich mee. Soms raak je halverwege het spoor bijster, bijvoorbeeld omdat je er een tussenzin in zet en vervolgens vergeet de hoofdzin af te maken. Het kan ertoe leiden dat het slot van je tekst niet meer past bij het begin. In dat geval is er sprake van een anakoloet. Een voorbeeld:

Ook in de moderne tijd zijn er door de schrijvers van de neoromantiek, die gevoel en verbeelding weer op de voorgrond stelden en zich graag in het verleden verdiepten, evenals de 19de eeuwse romantici dat deden hebben zij historische romans geschreven.


Je ziet dat de twee witte delen niet meer op elkaar aansluiten.

Waarschijnlijk had de auteur willen schrijven:
Ook in de moderne tijd zijn er door de schrijvers van de neoromantiek, die gevoel en verbeelding weer op de voorgrond stelden en zich graag in het verleden verdiepten zoals ook de 19de eeuwse romantici dat deden, historische romans geschreven.

Nu sluiten de witte delen wél op elkaar aan. Toch blijft de zin moeilijk leesbaar. Daarom kun je beter eerst de gehele hoofdzin opschrijven en vervolgens de bijzin:

Ook in de moderne tijd zijn er historische romans geschreven door de schrijvers van de neoromantiek, die gevoel en verbeelding weer op de voorgrond stelden en zich graag in het verleden verdiepten zoals ook de 19de eeuwse romantici dat deden.

De kans dat je op deze manier een anakoloet veroorzaakt is nagenoeg nihil. Daarnaast leest het een stuk prettiger.

Naar boven
Antecedent

Heel veel bijzinnen slaan terug of hebben betrekking op een zelfstandig naamwoord. Zulke zinnen heten bijvoeglijke (ook wel betrekkelijke) bijzinnen. Dergelijke bijzinnen beginnen met een betrekkelijk voornaamwoord, meestal 'die' of 'dat'. Het zelfstandig naamwoord waarop de bijzin betrekking heeft, heet antecedent. Een paar voorbeelden:

De jurk die Ria gekocht had, was snel kapot.
'die Ria gekocht had' (de bijzin) slaat terug op ' jurk' (het antecedent).

Het huis dat hij kocht, verkeerde in goede staat.
'dat hij kocht' (de bijzin) slaat terug op 'huis' (het antecedent).


Naar boven

Apostrof / weglatingsteken

De apostrof wordt ook wel weglatingsteken of afkappingsteken genoemd. De apostrof staat op de plaats van het woorddeel dat is weggelaten. Wanneer gebruik je de apostrof?

1.
Als de eigennaam eindigt op een sisklank (s, x of z: Toos' diploma, Marnix' nieuwe fiets, Lopez' marathon)
2. Als aaneenschrijven tot een verkeerde uitspraak leidt (regio's i.p.v. regios, accu's i.p.v. accus)
3. Om de weglating van enkele letters uit een woord te verantwoorden ('s morgens, in z'n eentje, 't komt voor)
4. Bij meervouden en tweede naamvallen, eindigend op -a, -o, -u, -i, -y (piano's, ski's, paraplu's, baby's, Anja's, Otto's)
5. Om verkleinwoorden aan te geven (hobby'tje, baby'tje)
6. Om meervouden, tweede naamvallen en verkleiningsvormen en afleidingen te begrenzen van afkortingen en letterwoorden
(BV's, heao's, VVD'er, NS'er, PC'tje)


Naar boven

Archaïsch taalgebruik

De taal verandert voortdurend. Er komen nieuwe woorden bij, maar er vallen ook woorden af, ze zijn verouderd. Zo'n verouderd woord noemen we een archaïsme. In sommige kringen worden verouderde woorden nog wel gebruikt. Je kunt daarbij denken aan teksten uit wetboeken. Ook politici gebruiken ze nog wel eens. Voorbeelden van archaïsch taalgebruik zijn:

- Voor een toelichting hierop moge verwezen worden naar...
- Wij delen u te dezent mede dat...
- Met dien verstande dat...


Naar boven

Bedrijfsnamen

Bedrijfsnamen worden beschouwd als onzijdige woorden. Dat betekent dat er met het woord 'zijn' naar terug wordt verwezen (tenzij duidelijk is dat ze vrouwelijk zijn zoals Culemborgse Uitgeverij - woorden die eindigen op -ij zijn altijd vrouwelijk). Daarnaast krijgen ze het lidwoord 'het'.

De KLM jaagt zijn passagiers steeds verder op kosten.**
Orange heeft maling aan zijn klanten.
De Culemborgse Uitgeverij heeft haar klanten iets moois in het vooruitzicht gesteld.

**De zin begint met 'De'. Strikt genomen is dit fout, daar het om een bedrijfsnaam gaat (dus onzijdig). Officieel zou de zin dan ook moeten beginnen met 'Het KLM ...' Het gebruik van het woord 'de' voor dergelijke bedrijfsnamen is echter dermate ingeburgerd, dat niemand zich daar nog aan stoort.

Naar boven
Beide of beiden

Sommige voornaamwoorden krijgen de ene keer een -n en de andere keer niet. Je kunt daarbij denken aan woorden als: beide, vele, weinige, meeste, laatste, sommige, alle, andere en enkele.

Om nu te weten wanneer je wel of niet een -n moet plaatsen, zijn er drie regels opgesteld. Ze luiden als volgt:

1. Geen -n bij een zaakverwijzing (voornaamwoorden die verwijzen naar een dier of een zaak)
- Sommige van deze plannen zijn goedgekeurd
- Er zaten heel veel muizen in de schuur. Enkele hadden een grijze vacht, andere een bruine.

2. Geen -n bij persoonsverwijzing 'in een tekst'
a. Ik heb alle kinderen een taak gegeven. Enkele zagen dat niet zitten.
b. De schoolkinderen werden over drie bussen verdeeld. De grote gingen in de eerste twee bussen, de kleine in de laatste bus.

3. Wel een -n bij persoonsverwijzing 'buiten de tekst'
a. Er waren duizend aanwezigen. Sommigen onder hen gingen vroegtijdig naar huis.
b. Hij heeft veel beroemde mensen gezien, onder anderen de minister.

Het verschil tussen regel 2 en 3
Bij regel 2a en 2b kun je achter het voornaamwoord het zelfstandig naamwoord 'kinderen' wederom plaatsen.
Bij regel 3a en 3b wordt het voornaamwoord zelfstandig gebruikt. Je kunt in dat geval achter het voornaamwoord niet nog een zelfstandig naamwoord plaatsen.


Naar boven

(Foutieve) Beknopte bijzin

Beknopte bijzinnen zijn evenals gewone bijzinnen zinsdelen of zinsdelen van een hoofdzin. Toch zijn er verschillen ten opzichte van de gewone bijzinnen:

In beknopte bijzinnen is het onderwerp niet uitgedrukt, in tegenstelling tot wat in volledige bijzinnen het geval is.
Beknopte bijzinnen hebben een gezegde dat geen persoonsvorm bevat.
Als beknopte bijzinnen met voegwoorden beginnen, zijn dat vaak andere dan die welke volledige bijzinnen inluiden.
Meestal kunnen in beknopte bijzinnen modale hulpwerkwoorden (bijv. zullen, willen en moeten) weggelaten worden.

Enkele voorbeelden die hier behandeld worden zijn:
- beknopte bijzin met te + infinitief-constructie
- beknopte bijzin met een tegenwoordig deelwoord
- beknopte bijzin met een voltooid deelwoord


Beknopte bijzin met te + infinitief-constructie

Dirk verzekerde me Henk niet te kennen.


Het onderwerp en de persoonsvorm ontbreken hier.

De volledig bijzin zou luiden:
Dirk verzekerde me dat hij Henk niet kende.

Hier is het onderwerp 'hij' wel uitgedrukt, evenals de persoonsvorm 'kende'. De 'hij' van de bijzin is 'Dirk' van de hoofdzin. Het onderwerp is er dus niet in de beknopte bijzin, maar je weet wel welk onderwerp bedoeld is. In dat geval spreek je van een schimonderwerp. Het schimonderwerp komt verderop nog ter sprake bij het onderdeel 'foutieve beknopte bijzin'.


Beknopte bijzin met een tegenwoordig deelwoord

Nog van zijn schrik bekomend, zag hij plots een nieuw gevaar.

De volledige bijzin zou luiden:

Terwijl hij nog van zijn schrik bekwam, zag hij plots een nieuw gevaar.

Hier is het onderwerp (hij) wel uitgedrukt, evenals de persoonsvorm (bekwam). Door er het onderschikkend voegwoord 'terwijl' aan toe te voegen, vervang je de beknopte bijzin door een volledige bijzin.


Beknopte bijzin met een voltooid deelwoord

Beneveld door de alcohol, struikelde hij over de stoeprand.

De relatieve bijzin staat in de voltooide tijd. Om die reden bevat de bijbehorende beknopte bijzin geen tegenwoordig deelwoord, maar een voltooid deelwoord. Verder gelden hier dezelfde regels als die bij de beknopte bijzin met een tegenwoordig deelwoord.

De volledige bijzin zou dan ook luiden:
Omdat hij beneveld was door de alcohol, struikelde hij over de stoeprand.


Weglaten van modale hulpwerkwoorden
Hij zei om vier uur te (zullen) vertrekken.

Een voordeel van het weglaten van modale hulpwerkwoorden is dat je tekst beknopter wordt. Vooral journalisten maken hiervan dankbaar gebruik. Een nadeel is dat het weglaten van modale hulpwerkwoorden de duidelijkheid kan beïnvloeden.

Foutieve beknopte bijzin

Foutief gebruik van de beknopte bijzin levert vaak stijlproblemen op. Een veel voorkomende stijlfout is dat het schimonderwerp van de beknopte bijzin niet het onderwerp van de hoofdzin is. Een voorbeeld:

Nog maar net onderweg, barstte er een ruit.

Ervan uitgaande dat het weggelaten onderwerp van de bijzin het onderwerp van de hoofdzin moet zijn, dan zou je de zin als volgt kunnen herschrijven:

Toen de ruit nog maar net onderweg was, barstte hij.

Dat kan natuurlijk de bedoeling niet zijn. Een beknopte bijzin kun je hier dus niet gebruiken. De oplossing ligt in het maken van een volledige bijzin:

Toen wij nog maar net onderweg waren, barstte er een ruit.

Tot slot nog een voorbeeld van een foutieve beknopte bijzin:

Gezeten op het terras, fietsten de wielrenners voorbij.

Dit moet natuurlijk zijn:

Gezeten op het terras zagen we de wielrenners voorbij fietsen.

Naar boven
Beletselteken

Het beletselteken bestaat uit drie puntjes. Het teken kan de volgende functies hebben:

- weglatingsteken in citaten - Jan zei: "Mijn baas wilde maatregelen nemen (...); uiteindelijk deed hij niets."
- pauze of onderbreking aangeven - "Ja, maar ... is dat wel zo?"

- het geeft aan dat de zin niet wordt afgemaakt - "Ze vroeg hem: 'Vind je het goed dat ...' Hij liet haar niet eens uitpraten."

Vóór en na het beletselteken komt een spatie. Als het teken aan het einde van de zin staat, komt er niet nog een punt achter.

Naar boven


Beslissen of besluiten

Het woord besluiten gebruik je wanneer je een keuze maakt uit alternatieven (nadat je er eerst grondig over hebt nagedacht), bijvoorbeeld:

Ze hebben besloten naar de wedstrijd van PSV te gaan.

Besluiten kan gecombineerd worden met te + infinitief.

Ze hebben besloten de prijs te verhogen.

Bij beslissen is deze combinatie niet mogelijk, tenzij het Belgisch-Nederlands betreft. Tja...

Het woord beslissen gebruik je wanneer je een knoop wilt doorhakken of een einde wilt maken aan een bepaalde onzekerheid, bijvoorbeeld:

De examinator beslist of je geslaagd bent voor je rijexamen.

Naar boven


Bijvoeglijke bijzin

Een bijvoeglijke bijzin:
- Geeft nadere bijzonderheden
- Hoort bij een zelfstandig naamwoord of een voornaamwoord
- Is geen compleet zinsdeel, maar een onderdeel van een zinsdeel
- Begint vaak met een betrekkelijk voornaamwoord (die, dat of wat: de man die daar loopt; het huis dat verkocht is)

Voorbeeld:
De man die mijn fiets heeft gestolen, is opgepakt.

Gezegde = is opgepakt
Onderwerp = De man die mijn fiets heeft gestolen
Bijzin = die mijn fiets heeft gestolen = is onderdeel van het zinsdeel 'onderwerp'

Beperkende en uitbreidende bijvoeglijke bijzin

Bijvoeglijke bijzinnen zijn onder te verdelen in:
- Beperkende bijvoeglijke bijzin
- Uitbreidende bijvoeglijke bijzin

Bij een beperkende bijvoeglijke bijzin voeg je nadere informatie toe die je niet weg kunt laten. Die informatie hoort specifiek bij het onderwerp.

Bij een uitbreidende bijvoeglijke zin voeg je nadere informatie toe die je weg kunt laten zonder dat de belangrijkheid van de zin verandert.

Voorbeeld beperkende bijzin:
- Computers die meer dan 10.000 euro kosten, zijn tegenwoordig bijna niet meer te slijten.
(Hier gaat het specifiek om computers die meer dan 10.000 euro kosten.)

- Sinaasappels die met kwik zijn ingespoten, kun je niet eten.
(Hier gaat het enkel en alleen om sinaasappels die met kwik zijn ingespoten.)

Voorbeeld uitbreidende bijzin:
- Computers, die snel kunnen rekenen en een groot geheugen hebben, zijn populair bij administratiebureaus.
(We weten dat computers snel rekenen en een groot geheugen hebben, dus kun je die toevoeging eventueel weglaten.)

- Sinaasappels, die oranje zijn, kun je eten.
(We weten allemaal dat sinaasappels oranje zijn, dus kun je die toevoeging eventueel weglaten.)

Naar boven

Bijvoeglijk naamwoord

- Zegt iets van het zelfstandig naamwoord: het lege huis, de zware tas, de rode lantaarn
- Vaak twee vormen (lange en korte)
- Voor de lange vorm zet je een -e achter de korte vorm
- Soms moet je het woord aanpassen (kaal = kale; lief = lieve; boos = boze)
- Kan zowel vóór als achter het zelfstandig naamwoord staan: het diepe meer - het meer is diep

Een bijvoeglijk naamwoord dat deel uitmaakt van een functieaanduiding wordt in de meeste gevallen geschreven zonder een buigings-e:
- Een bijzonder docent. Schrijf je 'bijzondere', dan zegt dat woord iets over de persoon achter die functie: Hij is een bijzondere docent.
- Mijn juridisch deskundige.
- Wij zoeken een administratief medewerkster.

Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden
- Geven aan van wat voor stof iets gemaakt is
- Eindigen meestal op -en (houten huis; katoenen shirt)


Naar boven

Bijwoord

Een bijwoord zegt iets van:

- een bijvoeglijk naamwoord - Spijbelen is heel slecht ('heel' zegt iets van 'slecht')
- een werkwoord - De atleet moet bij de start goed afzetten ('goed' zegt iets van 'afzetten')
- een ander bijwoord - Die trein reed erg snel ('erg' zegt iets van 'snel')
- een hele zin - Straks was ik mijn auto ('Straks' zegt iets over de rest van de zin)


Naar boven

Bijvoeglijke bepaling

Een bijvoeglijke bepaling is geen zinsdeel, maar een deel van een zinsdeel. Het is een bepaling van een bijwoordelijke kern.
Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord.
Je vindt de bepaling door je af te vragen: wat/welk voor + zelfstandig naamwoord?

De nieuwe leraar is in de straat komen wonen.
- nieuwe = bijvoeglijke bepaling bij leraar.

De voor de hand liggende verklaring voor de slechte spelprestaties van Ajax is de arrogante houding van de over het paard getilde en volgevreten spelers.

Bij een zelfstandig naamwoord kan meer dan één bijvoeglijke bepaling staan:
- De wijze, oude man gaf raad. Beide bepalingen behoren bij man.

Een bijvoeglijke bepaling kan uit meerdere woorden bestaan:
- Hij gaf een korte en duidelijke uitleg. Beide bepalingen behoren bij uitleg
.

Naar boven

Bijwoordelijke bepaling

- Een bijwoordelijke bepaling voegt altijd extra informatie aan de zin toe. Deze extra informatie zegt iets over het gezegde.
- Het geeft een reden, oorzaak, gevolg, doel of hoeveelheid aan.
- Je kunt de bijwoordelijke bepaling weglaten zonder dat de zin krom wordt.
- Vraag je af: waar, wanneer, waarmee, waardoor, hoe of wat?

Soorten bepalingen:
- plaats
- richting
- tijd
- wijze
- middel
- reden
- oorzaak
- voorwaarde
Voorbeelden:
De wedstrijd wordt thuis bekeken - waar wordt de wedstrijd bekeken?: thuis (bep. van plaats)
Het boek ligt op tafel - waar ligt het boek?: op tafel (bep. van plaats)
Ze liepen samen naar het oosten - waarheen liepen ze?: naar het oosten (bep. van richting)
Ik ga morgen naar school
- wanneer ga je naar school?: morgen (bep. van tijd)
Hij liep de marathon met twee vingers in zijn neus - hoe liep hij de marathon?: met twee vingers in zijn neus (bep. van wijze)
Hij kwam met de trein - waarmee kwam hij?: met de trein (bep. van middel)
Hij ging weg omdat hij het saai vond - waarom ging hij weg?: omdat hij het saai vond (bep. van reden)
Daardoor kon ik niet komen - waardoor kon ik niet komen?: daardoor (bep. van oorzaak)
Ik zou blij zijn als je wegging - op welke voorwaarde?: als je wegging (bep. van voorwaarde)

Naar boven

Beeldspraak / Cliché / Stoplap

Beeldspraak
Beeldspraak is een taalmiddel waarbij iets of iemand (het verbeelde) wordt vergeleken met iets of iemand anders (het beeld).
Het
berust altijd op een bepaalde overeenkomst tussen twee zaken:

Die kerel is als een boom is een vergelijking tussen 'kerel' (verbeelde) en 'boom' (beeld) - de overeenkomst is dat beide groot zijn.

Cliché
Een cliché is een uitdrukking die zo vaak gebruikt is, dat het luisterend publiek niet meer stilstaat bij de betekenis ervan. Je kunt het zien als een soort woordarmoede bij de taalgebruiker. Voorbeelden van clichés zijn:

- de kar trekken
- het in de groep gooien
- de buikriem aanhalen
- het voortouw nemen
- de zwartepiet toespelen


Stoplap
Een stoplap is een uitdrukking die te pas en te onpas wordt gebruikt.
Een stoplap heeft nauwelijks betekenis op de manier waarop deze gebruikt wordt.
Dient vooral als opvulling

Voorbeelden van stoplappen

Woorden: ergens, best wel, ik heb zoiets van...

Mode-stoplappen: 'absoluut', 'zeg maar', 'wat dat betreft'

Groepstaal-stoplappen: 'Mijnheer de voorzitter' (in politiek), 'gewoon' (bij jongeren).

Naar boven
Blijkbaar of schijnbaar?

Blijkbaar gebruik je wanneer iets daadwerkelijk blijkt te zijn zoals het is. Het is werkelijkheid. In dat geval kun je ook het woord klaarblijkelijk gebruiken.

Schijnbaar gebruik je indien slechts de schijn er is dat het zo is. Het is dus niet echt zo.

Voorbeelden.

Ik moet de autoramen krabben. Blijkbaar vriest het.

Jan heeft zich alweer ziek gemeld. Hij heeft schijnbaar geen zin om naar zijn werk te gaan.

Naar boven
Bezitsvorm

Een bezitsvorm ontstaat wanneer je aan een zelfstandig naamwoord de letter -s (bezits-s) toevoegt. Daarbij geldt wél de regel dat het grondwoord (het woord waaraan je de -s gaat toevoegen) niet eindigt op een lange klinker of een sisklank. In dit geval is er sprake van een regelmatige vorm. Voorbeeld:

- vaders auto
- tantes fiets
- Vondels werken

Lange klinker, dan 's
Wanneer het grondwoord eindigt op een lange klinker, wordt de letter -s door middel van een apostrof (') gescheiden van het grondwoord. Dit komt voor bij enkele klinkerletters (a, e, i, o, u, y) die uitgesproken worden als lange klinkers (aa, ee, enzovoort). De apostrof wordt in dit geval gebruikt om een verkeerde uitspraak van de bezitsvorm te voorkomen. Voorbeelden van -s met apostrof:

- oma's breiwerk
- Otto's jas
- baby's luier

Sisklank, dan alleen apostrof
Zodra een naam eindigt op een sisklank, voeg je alleen een apostrof toe. Dus geen letter -s. Hiermee voorkom je vreemde woordbeelden, zoals Riess auto (Ries' auto). De regel geldt voor elke sisklank: s, ce, ge, sh, x*, z*. Voorbeelden:

- Mies' achtertuintje
- Maurice' slaapkamer
- George' beleidsplan
- Bush' beleidsplan
- Alex' droomprinsesje
- Yilmaz' geit

Ook als het grondwoord eindigt op een -s die niet wordt uitgesproken, voeg je alleen een apostrof toe:

Alexandre Dumas' eerste maîtresse was Catherine Labay.

*Een naam die eindigt op een z of een x die niet wordt uitgesproken, krijgt een vaste -s:

Deprezs filosofie
Dutrouxs slachtoffers

Naar boven
Congruentie

Als het onderwerp enkelvoudig is, dan dient de persoonsvorm dat ook te zijn. Ze moeten in getal overeenkomen; ze moeten congruent zijn. Een paar voorbeelden:

1) Ik
(ow) ga (pv) zwemmen. (onderwerp en persoonsvorm zijn beide enkelvoud, dus congruent.)
2) Wij
(ow) gaan (pv) zwemmen. (onderwerp en persoonsvorm zijn beide meervoud, dus congruent.)
3) Jan en Maria
(ow) gaan (pv) zwemmen. (onderwerp en persoonsvorm zijn beide meervoud, dus congruent.)
4) Mark (ow)
hebben (pv) vanavond een blunder begaan (onderwerp en persoonsvorm verschillen, dus incongruent.)

Let op!
Als het onderwerp bestaat uit een zelfstandig naamwoord dat voorafgegaan wordt door een ander zelfstandig naamwoord dat een aantal of hoeveelheid aangeeft, is er sprake van enkelvoud. In dat geval moet de persoonsvorm óók enkelvoudig zijn.

Een aantal mensen (ow) heeft (pv) gestemd.
Een grote hoeveelheid rommel (ow) belandde (pv) in de prullenbak.
Drie procent van de aanwezigen (ow) is (pv) tegen het besluit.
Een massa kanshebbers (ow) heeft (pv) zich ingeschreven.


Meervoudig onderwerp en tóch een enkelvoudige persoonsvorm

Soms komt het voor dat een meervoudig onderwerp een enkelvoudige persoonsvorm krijgt. In die gevallen is incongruentie niet fout:

- Harten is troef. (Harten staat voor één van de vier kaartsymbolen.)
- De VS ging niet akkoord. (De afkorting verwijst naar één land.)
- Groot en klein was aanwezig. (Groot en klein is iedereen, en iedereen is enkelvoud.)
- De NS breidt uit. (De afkorting verwijst naar één instelling.)
- B & W ging overstag. (De afkorting verwijst naar één leidinggevende instantie.)

Schrijf je de afkortingen echter voluit, dan is congruentie verplicht:

- Burgemeester en wethouders gingen overstag.
- De Nederlandse Spoorwegen breiden uit.
- De Verenigde Staten gingen niet akkoord.


Nevenschikking en tóch een enkelvoudige persoonsvorm

Normaal krijg je bij nevenschikking een meervoudige persoonsvorm, zodat er sprake is van congruentie. Toch zijn er uitzonderingen, bijvoorbeeld:

- Kop en schotel stond klaar.
- Haat en nijd is aan de orde van de dag.


Naar boven

Contaminatie

Het woord contaminatie betekent eigenlijk versmelting. Je laat twee woorden of uitdrukkingen met vrijwel dezelfde betekenis met elkaar versmelten tot een nieuw woord of een nieuwe uitdrukking.

Voorbeelden op woordniveau:

- Optelefoneren is een samensmelting van opbellen en telefoneren
- Uitprinten is een samensmelting van printen en uitdraaien
-
Rondcirculeren is een samensmelting van rondgaan en circuleren

Voorbeelden van uitdrukkingen:

- Dat maakt geen verschil uit is een samensmelting van dat maakt geen verschil en dat maakt niets uit
- Hij zit oog in oog tegenover zijn vriend is een samensmelting van hij zit oog in oog met... en hij zit tegenover zijn vriend
- Een visje opgooien is een samensmelting van een visje uitwerpen en een balletje opgooien

- Dat kost duur is een samensmelting van dat kost veel en dat is duur

Naar boven

Contradictio in terminis

Contradictio in terminis is een stijlfout waarbij er sprake is van een tegenstrijdigheid.

- Het Utrechtse team werd eerste na Eindhoven. ('Werd eerste' is in tegenspraak met 'na Eindhoven'.)
- Een van de beste voetballers vergat te scoren. (Er kan er maar één de beste zijn.)

- De meeste gevangenen kwamen vrij, maar niet nadat ze een jaar vastgeketend hadden gezeten aan een paal. (Eerst wordt gezegd dat de gevangenen vrij komen, terwijl bij 'maar niet' wordt gesuggereerd dat dat niet zo is.)

Naar boven

Dan of toen?

We wisten dat we vanaf dan/toen in de gaten gehouden werden. Is het hier nu 'dan' of 'toen'? Het antwoord is simpel.

Dan heeft betrekking op de toekomst: We weten dat we vanaf dan in de gaten gehouden worden.
Toen heeft betrekking op het verleden: We wisten dat we vanaf toen in de gaten gehouden werden.

Naar boven

Ontkenning / dubbele ontkenning / proleptische ontkenning

Zinnen maak je meestal ontkennend door het bijwoord 'niet' te gebruiken. Soms doe je dat ook met woorden als 'geen' of 'zonder'. Een ander mogelijkheid is het gebruik van werkwoorden die al een ontkenning in zich hebben: ontraden, verbieden, ontmoedigen, et cetera.

Het ontkennend maken van een zin levert soms problemen op. Hieronder volgen enkele voorbeelden.

Dubbele ontkenning
Onder een dubbele ontkenning verstaat men het in één zin plaatsen van twee afzonderlijke woorden die elk een negatieve betekenis hebben:

Ik heb nooit geen gelegenheid gehad om te studeren. Nooit geen betekent zoveel als altijd. De zin moet dus luiden:
Ik heb nooit de gelegenheid gehad om te studeren.


Proleptische ontkenning
Wanneer je een zinsdeel ten onrechte te ver naar voren plaatst, is er sprake van een proleps. Een voorbeeld:

Ik hoop niet dat het gaat sneeuwen.

Hier is het woord 'niet' te ver naar voren gehaald. In feite zeg je hiermee dat je iets niet hoopt, terwijl je wél iets hoopt, namelijk dat het niet gaat sneeuwen. Dit is een proleptische ontkenning. De zin had dan ook moeten luiden:

Ik hoop dat het niet gaat sneeuwen.

Bij andere werkwoorden veroorzaakt de te vroege plaatsing van het woord 'niet' geen proleps, bijvoorbeeld:

Ik verwacht dat Cees niet komt.
Ik verwacht niet dat Cees komt.


Hier is het verschil tussen beide zinnen te verwaarlozen.


Andere fouten die gemaakt worden, vloeien voort uit het gebruik van het woord 'niet' of 'geen'. Voorbeeld:

Elke verandering is geen verbetering.
Niet elke verandering is een verbetering.


Beide zinnen kunnen voorkomen, maar dan wel in geheel verschillende contexten.
Nog een voorbeeld:

Elke socialist is niet sociaal.

Hier had natuurlijk moeten staan: Niet elke socialist is sociaal.

Naar boven
Dubbele punt

Een dubbele punt kondigt iets aan, bijvoorbeeld een citaat, een opsomming of een verklaring.

- Jan zei: "Eindelijk speelde hij weer eens een goede wedstrijd."

- De agenda is als volgt:
aaa1. opening
aaa2. ingekomen stukken
aaa3. notulen
aaaenzovoort

- Kortom: er is nog hoop.

Hoofdletter na dubbele punt
- Een citaat na een dubbele punt begint altijd met een hoofdletter (Maike riep: "Ik ga niet mee.")
- Opsommingen die uit meerdere volledige zinnen bestaan krijgen na een dubbele punt een hoofdletter.

aaaEr werd als volgt besloten:
aaa- Het lokaal wordt grondig aangepakt.
aaa- Alle deuren worden voorzien van een degelijk slot.
aaa- Leerlingen mogen pas naar binnen als de bel is gegaan.

In alle andere gevallen krijgen de delen van een opsomming géén hoofdletter.
Ook wanneer de opsomming een verklaring inleidt, volgt een kleine letter (Nu wisten ze het zeker: dit moesten ze vaker doen.)

Naar boven


Ellips

Er is sprake van een ellips wanneer in een zin vitale grammaticale onderdelen weggelaten zijn. Een voorbeeld van zo'n zin is:

Handdoeken in je tassen!

In deze zin ontbreekt zowel de persoonsvorm als het onderwerp. Er had kunnen staan:

Jullie moeten je handdoeken in je tassen doen!


Ellipsen zijn niet per definitie fout. Sterker nog, ze kunnen de zeggingskracht van een mededeling soms zelfs vergroten. Vooral in krantenkoppen zie je vaak ellipsen. In die gevallen draait het vaak om drie dingen die weggelaten worden:

1) De persoonsvorm ontbreekt - voltooid deelwoord zonder persoonsvorm:
- Mensenrechten in Indonesië (worden) met voeten getreden.

2) Lidwoorden ontbreken:
- (De) Staking verbroedert (het) personeel.

3) Naast lidwoorden ontbreken voor de hand liggende voorzetsels:
- Balkenende wil (het) behoud (van de) hypotheekaftrek bespreken.


Naar boven
Figuurlijk en letterlijk taalgebruik

Soms kun je woorden niet letterlijk nemen. Zo'n woord wordt dan figuurlijk gebruikt. Het is dan een vorm van beeldspraak.
Een andere keer kun je een woord wel letterlijk nemen. Als voorbeeld nemen we de volgende zin: Mickey zit in de put.


Deze zin kun je zowel letterlijk als figuurlijk gebruiken.
1) Mickey is echt in de put gevallen of gekropen en zit daar dus letterlijk in. Je kunt haar zien zitten.
2) Mickey heeft een onvoldoende behaald voor rekenen. Ze maakt zich nu veel zorgen. Ze voelt zich ongelukkig.

Bij 1 is er sprake van een echte waarneming; je kunt het daadwerkelijk zien dat ze daar zit.
Bij 2 is er sprake van een gevoelstoestand; het is ongrijpbaar.

Andere voorbeelden van letterlijk en figuurlijk taalgebruik:
Letterlijk - Jan is mager. (Je kunt daadwerkelijk zien dat Jan niet dik is.)
Figuurlijk - Dat rapportcijfer is mager. (Hier heeft mager niets te maken met de dikte. Bedoeld wordt dat het cijfer matig is.)

Figuurlijk - Het was een zware bevalling. (Je kunt de bevalling niet op een weegschaal leggen.)
Letterlijk - Die koffer is zwaar. (Hij weegt veel. Dat kun je controleren door hem op de weegschaal te leggen.)


Een figuurlijke betekenis kom je ook tegen bij uitdrukkingen:
- Er is geen man overboord, als het niet op tijd klaar is.
- Door hem ben ik nu mooi de sigaar.
- Hij woont in het hart van de stad.

Naar boven

Gedachtestreepje

Een gedachtestreepje gebruik je als je een zin onderbreekt met een korte zin (of een deel daarvan). Voor en na het streepje komt een spatie.

Het gedachte streepje heeft meerdere functies:

1) een 'terzijde' inlassen: Toen hij om zijn geld vroeg - en dat niet voor het eerst - kreeg hij nul op het rekest.
2) zin of zinsdeel extra benadrukken: U krijgt - als u vandaag nog bestelt - het tweede pakket gratis.
3) een onverwachte wending markeren: Hij had zijn huis beveiligd - en achteraf bleek dat hard nodig.

Voor of na een gedachtestreepje komt geen komma.
Je kunt het gedachtestreepje vervangen door een komma óf door haakjes:

U krijgt, als u vandaag nog bestelt, het tweede pakket gratis.
U krijgt (als u vandaag nog bestelt) het tweede pakket gratis
.


Naar boven

Geslacht

Woorden met de volgende uitgangen zijn altijd vrouwelijk:

-heid, -nis, -schap (waarheid - kennis - beterschap)
-de, -te (liefde - diepte)
-ij, -erij, -arij, -ernij (voogdij - rijmelarij)
-ing, -st {achter een werkwoordstam} (wandeling - winst)
-ie, -tie, -logie, -sofie, -agogie (familie - filosofie - demagogie)
-iek, -ica (muziek - logica)
-theek, -teit, -iteit (discotheek - puberteit - subtiliteit)
-tuur, -suur (natuur - censuur)
-ade, -ide, -ode, -ude (tirade - periode)
-age, -ine, -se (tuigage - discipline - analyse)
-sis, -xis, -tis (crisis - bronchitis - syntaxis)

Vrouwelijk
- woorden met veel verschillende achtervoegsels als -heid, -schap, -teit, -sis, et cetera
- aanduiding van vrouwelijke personen en dieren (secretaresse - kip)

Mannelijk
- woorden met achtervoegsel -aar, -er, en -erd (eigenaar - koster - zeperd)
- zelfstandig gebruikte werkwoordstammen (dank)
- aanduiding van mannelijke personen en dieren (ouderling - ezel)

Vrouwelijk én mannelijk
- de meeste voorwerpsnamen (bank, kast)
- algemene aardrijkskundige namen en hemellichamen (stad, zon)
- zelfstandig gebruikte bijvoeglijk naamwoorden (zieke)
- persoonsnamen voor mannen en vrouwen te gebruiken (baanloze)

Onzijdig
- verkleinwoorden (tientje)
- werkwoordstammen met voorvoegsel be-, ge- en ont- (beraad)
- namen van landen en steden

Tip:
Zelfstandige naamwoorden die in het enkelvoud vervangen kunnen worden door hij of hem, zijn mannelijk.
Zelfstandige naamwoorden die in het enkelvoud vervangen kunnen worden door zij, ze of haar zijn vrouwelijk.
Zelfstandige naamwoorden waarvoor het lidwoord het geplaatst kan worden, zijn onzijdig.

Naar boven
Haakjes (ronde)

Ronde haakjes worden veelal gebruikt om iets in te voegen, namelijk:
- een verduidelijking - U kunt zich melden bij de receptie (van 10.00 uur tot 17.00 uur)
- een verklaring - De vergadering is verschoven naar juni (in verband met het overlijden van de voorzitter)
- een toevoeging - De middenvelder (die nog altijd geblesseerd is) wordt verkocht aan de hoogste bieder.

Het gedeelte tussen haakjes kun je zien als achtergrondinformatie, dit in tegenstelling tot die delen die tussen gedachtestreepjes staan. In die gevallen gaat het meer om het benadrukken van het deel tussen de streepjes.


Naar boven

Hiaat

Volgens Van Dale zijn er twee betekenissen voor het woord hiaat:

1) het op elkaar stoten van twee klinkers (om dit te voorkomen besloot men de tussen-n in te voegen: kippeëi - kippenei)
2) plaats waar iets ontbreekt

In dit geval gaan we in op nummer twee: plaats waar iets ontbreekt. Door het ontbreken van een woord of een woordgroep, kan de zin onlogisch klinken. Enkele voorbeelden:

Zijn huis ligt dichter bij het stadion dan van zijn broer. (Hier kunnen interpretatieproblemen optreden)
Zijn huis ligt dichter bij het stadion dan dat van zijn broer.

Op de deur hing een briefje dat deze vergrendeld was. (Bijzin sluit niet goed aan bij de rest van de zin)
Op de deur hing een briefje waarop stond dat deze vergrendeld was.

De reden dat hij niet gekomen is, is dat hij ziek was.
De reden van het feit dat hij niet gekomen is, is dat hij ziek was.


Naar boven

Hoofdletter en kleine letter

Hoofdletters schrijf je in de volgende gevallen:

1. Bij het eerste woord van een zin. Uitzonderingen hierop zijn:
* Als het eerste woord begint met een apostrof. In dat geval begint het tweede woord met een hoofdletter
   ('s Nachts wordt hij altijd wakker.)
* Als de zin begint met een cijfer. (250 voetbalvandalen opgepakt.)

2. Bij eigennamen. Dit zijn namen van personen, landen, provincies, straten, kranten, wetten, geschiedkundige periodes, etc.
    (Mateja Kezman, Nederland, Utrecht, Philips, Dorpsstraat, Eindhoven, Calvé pindakaas, Trouw, WAO, etc.)
* Als er bij een naam van een persoon een voorletter of voornaam staat, schrijf je het voorvoegsel met een kleine letter.
    (Mark van Bommel, J. de Groot, maar: de heer De Groot, Van Bommel)
* Bij namen van het opperwezen (Allah zij geprezen, Hij is groot!)

3. Bij bijvoeglijke namen die zijn afgeleid van eigennamen. (Eindhovense voetbalclub, Utrechts, Zuid-Franse kaas)

4. Bij een citaat. (Hij zei: "Dat is goed." - "We gaan naar huis", zei hij.)

5. Bij titels, rangen e.d. (Hare Majesteit koningin Beatrix der Nederlanden groet de voorzitter van de Tweede Kamer.)

6. Afgekorte namen die als woord worden uitgesproken, krijgen alleen een beginhoofdletter (Arbo, Unicef, Rai, Cito.)

Kleine letters gebruik je in de volgende gevallen:

1.
Als je bij een eigennaam niet meer aan een persoon denkt (achillespees, voltmeter - maar: Achilles en Volt)
2. Bij soortnamen (een stukje edammer, een dampende havanna - maar: Edam en Havanna)
3.
Bij samenstellingen met religieuze feesten (kerstdiner, paasvakantie - maar: Kerst en Pasen)
4. Bij windstreken (oosten, noordwesten)
5. Bij afleiding van geschiedkundige periodes (middeleeuws )
6. Bij namen van seizoenen, maanden of weekdagen (zomer, herfst, maart, april, dinsdag)

Mocht je toch nog twijfel hebben over het wel of niet plaatsen van een hoofdletter, kijk dan in het woordenboek.

Naar boven

Praeteritio

Praeteritio is een stijlfiguur waarbij je juist de aandacht vestigt op iets waarvan je zegt dat je het niet zal zeggen. Het doel hiervan is tweeledig. Je werpt een bepaald (vaak negatief) licht op een onderwerp en tegelijkertijd probeer je jezelf buiten schot te houden. Je zegt immers dat je er niet op in wilt gaan. Voorbeelden zijn:

- Je hoort mij niet zeggen dat die schrijver liegt, maar ik dicht hem wel een zeer rijke fantasie toe.
- Om nu te zeggen dat hij steelt, gaat me te ver.
- Het is niet relevant om nu te vertellen dat hij zijn vrouw bedriegt, dus doe ik dat ook niet.


Naar boven
Hyperbool en parabool

Bij een hyperbool is er sprake van overdrijving. Voorbeelden zijn:

- De regen viel met bakken uit de lucht.
- Hij is bliksemsnel.
- Die discussie duurde eeuwen.

Het tegenovergestelde van hyperbool is parabool. In dat geval verklein je de gebeurtenis. Voorbeeld:

- Dat moet je met een korreltje zout nemen.

Naar boven
Gezegde (naamwoordelijk gezegde en werkwoordelijk gezegde)

Het gezegde zegt altijd iets over het onderwerp. Het kan een handeling betreffen, maar ook een toestand waarin het onderwerp zich bevindt. Er zijn twee soorten gezegden:

1. werkwoordelijk gezegde
2. naamwoordelijk gezegde


Werkwoordelijk gezegde

- Omvat alle werkwoorden in een zin
- Zegt iets over de handeling die het onderwerp doet

Voorbeelden:
Jan heeft een boek geschreven.
Harry heeft zijn saaie leven kunnen ontvluchten.


Naamwoordelijk gezegde
- Bevat een koppelwerkwoord + een naamwoordelijk deel (zelfst. nmw. óf bijv. nmw.)
- Zegt iets over wat het onderwerp is, wordt, blijft, blijkt, schijnt, et cetera
- Vraag je af 'wat' het onderwerp is, wordt, blijft, blijkt, schijnt, et cetera


Voorbeelden:
Het vierde boek wordt (koppelww.) een succes (naamwoordelijk deel)
J.K. Rowlings is (koppelww.) schatrijk
(naamwoordelijk deel)
Ze blijft (koppelww.) eenvoudig
(naamwoordelijk deel)

Koppelwerkwoorden zijn:
zijn (is), worden, heten, blijven, schijnen, lijken, blijken, dunken en vóórkomen


Als je twijfelt of je met een koppelwerkwoord te maken hebt, probeer dan het woord te vervangen. Lukt dat, dan is er sprake van een koppelwerkwoord. Kijk maar naar het volgende voorbeeld:

De kaars is wit
De kaars blijft wit


Voorbeelden nwg en wwg:

Het leek een mogelijkheid. (nwg)
Hij haalde ons in. (wwg) (Let op: 'in' hoort ook bij het ww-gezegde. Je kunt namelijk het woord 'inhalen' maken.
Zij scheen in de war. (nwg)
Zij heeft haar hoofd verloren. (wwg)
Is Rembrandt een beroemde schilder (uit de zeventiende eeuw?) (nwg)


Naar boven

Hoofd- en (beknopte en uitbreidende) bijzinnen

Een samengestelde zin kan bestaan uit:

1. Twee hoofdzinnen met een voegwoord ertussen. In beide zinnen staan de persoonsvorm en het onderwerp naast elkaar:

Claudia gaat naar school en Richard blijft bij zijn oma.

2. Een samengestelde zin kan bestaan uit een hoofdzin én een bijzin:

Claudia vond dat niet leuk (= hoofdzin) toen ze dat hoorde (= bijzin).

Let dus op:
- Bij een hoofdzin staan pv en onderwerp naast elkaar (er kunnen geen andere zinsdelen tussen)
- Bij bijzin kunnen er tussen pv en onderwerp wel andere zinsdelen staan

Ter illustratie nog een voorbeeld:

Ibrahim (ow) gaf (pv) Mijke een hand (= hoofdzin) toen hij (ow) haar ontmoette (pv) (= bijzin). 'Haar' staat hier tussen het onderwerp en de persoonsvorm in.

Tip: Een bijzin kun je vervangen door een zinsdeel zónder pv:

Ik zet de muziek aan zodra ze hier zijn ---> Dan zet ik de muziek aan. De bijzin 'zodra ze hier zijn' vervang je door het woord 'Dan'.

Beperkende en uitbreidende bijzinnen

Bijzinnen kun je onderverdelen in:

- Beperkende/beknopte bijzin: deze bijzin kun je niet weglaten omdat hij relevante informatie bevat
- Uitbreidende bijzin: deze bijzin kun je weglaten zonder dat je belangrijke informatie verliest

Voorbeelden van uitbreidende bijzinnen:

Sinaasappels, die oranje zijn, kun je eten. (Hier kun je 'die oranje zijn' zonder gevolgen weglaten.)
Computers, die snel kunnen rekenen en een groot geheugen hebben, zijn populair bij de jeugd. (Ook hier kun je de bijzin zonder gevolgen weglaten. Het belangrijkste is tenslotte dat computers populair zijn bij de jeugd.

Voorbeelden van beperkende/ beknopte bijzinnen:

Sinaasappels die met gif zijn ingespoten, kun je niet eten. (Hier kun je de bijzin niet weglaten. Het gaat juist om díe bepaalde soort sinaasappels.)
Computers die meer dan 10.000 euro kosten, zijn tegenwoordig bijna niet meer te slijten. (Ook hier kun je de bijzin niet weglaten. Het gaat in deze zin juist om díe dure computers.)
Zie ook: beknopte bijzin.

Naar boven

Ieder of elk?

Ieder en elk zijn synoniemen. Dat betekent dat het in principe niet uitmaakt welk van de twee je gebruikt. Toch zijn er voorkeuren.

Ieder(e) gebruik je in het geval van personen: Iedere jongen droomt ervan brandweerman te worden.

Elk(e) gebruik je wanneer het niet om personen gaat: Elk vogeltje zingt zoals het gebekt is.

Elk(e) gebruik je tevens als het om een kleine groep gaat (zowel bij personen als niet-personen):

Elk van de drie reservespelers had een blessure.
Hier is sprake van een kleine groep.
In elk oor zat een piercing. HIer is sprake van een kleine groep. Daarnaast gaat het niet om personen.


Naar boven

Infinitief

- Infinitief is het hele werkwoord dat géén persoonsvorm is (je kunt het dus niet in een andere tijd zetten)
- Eindigt altijd op een -en (voorbeelden: verwachten, omkleden, melden, fietsen)

Voorbeeld met het werkwoord 'zwemmen':

- Wij zwemmen in zee. Zwemmen is hier de persoonsvorm. Je kunt het in een andere tijd zetten, dus geen infinitief.
- Wij gaan zwemmen in zee. Hier is 'zwemmen' wel infinitief, want nu is 'gaan' de persoonsvorm. (Merk op dat je 'zwemmen' niet in een andere tijd kunt zetten.)

Een werkwoord dat achter 'te' staat, is altijd een infinitief: Hij staat te wachten; hij loopt te ijsberen.

Naar boven
Directe, indirecte en semi-directe rede

Directe rede:

In een directe rede geef je andermans woorden/zinnen helemaal letterlijk weer.
- Zij zei: "Ik stuur deze vraag maar naar Taalverhaal."


Die letterlijke aanhaling maakt dus deel uit van de zin waarin je haar meedeelt. Het is een zinsdeel geworden (nl. lijdend voorwerp). Sprekend laat je een korte pauze vallen voor de aanhaling. Om de lezer te waarschuwen zet je de letterlijke aanhaling (het citaat) na een dubbele punt tussen aanhalingstekens.

Indirecte rede:
In een indirecte rede geef je andermans woorden/zinnen niet helemaal letterlijk weer, maar in een vorm, die aangepast is aan je zin.
- Zij zei dat ze de vraag maar naar Taalverhaal zou sturen.

Kenmerkend is dat dergelijke citaten eigenlijk in een soort rompzin staan: zij zei, hij vroeg, wij vonden enz.

Semi-directe rede:
Je hebt tot slot nog een tussenvorm, die erlebte Rede of semi-directe rede wordt genoemd:
- Ze ging die vraag maar naar Taalverhaal sturen, zei ze.

Hier is de volgorde van de oorspronkelijke vraag aangehouden (als hoofdzin), maar de tijd en de persoon zijn aangepast.


Naar boven

Eufemisme / dysfemisme / vulgarisme

Eufemisme
Een eufemisme is een verzachtende omschrijving van iets wat onaangenaam wordt gevonden. Voorbeelden zijn:

De dierenarts heeft de hond laten inslapen. - Hij heeft de hond gedood.
Het personeelsbestand moet worden afgeslankt. - Er worden mensen ontslagen.

Dysfemisme
Een dysfemisme is het tegenovergestelde van eufemisme. In dit geval is de omschrijving beledigend, grof of spottend. Voorbeelden zijn:

Hij is een oude knar. - HIj is een bejaard persoon.
Hij is ladderzat. - Hij is dronken.
Hij is de pijp uit.. - Hij is dood.

Vulgarisme
Een vulgarsime gebruik je om te shockeren door middel van ordinair taalgebruik. Voorbeelden zijn:

Loop niet te zeiken. - Loop niet te zeuren.
Dat eten is niet te pruimen. - Dat eten smaakt totaal niet.

Naar boven
Ik of mij / jij of jou / hij of hem / zij of haar / wij of ons / zij of hen (hun)

Het kan gebeuren dat je niet weet of je nu ik of mij moet schrijven in een zin als: jij bent veel sterker dan ik/mij. En wat te denken van een zin als: jullie lezen meer boeken dan wij/ons. Schrijf je hier nu wij of ons? Nog een zin: hij voetbalt vaker dan zij/haar. Is het nu zij of haar?

Het antwoord is simpel te vinden: vul achter het woord waarvan jij denkt dat dat het juiste is, het werkwoord in dat in de zin staat en lees de zin vervolgens hardop. Op dat moment hoor je precies welk woord je moet kiezen. Het kan niet missen.

- Jij bent veel sterker dan ik (ben). - Jij bent veel sterker dan mij ben.
- Ik ben langer dan jij (bent). - Ik ben langer dan jou bent.
- Zij is muzikaler dan hij (is). - Zij is muzikaler dan hem is.
- Jullie lezen meer boeken dan wij (lezen). - Jullie lezen meer boeken dan ons lezen.
- Hij voetbalt vaker dan zij (voetbalt). - Hij voetbalt vaker dan haar voetbalt.

Naar boven

Vervoegen: kan of kunt / zal of zult / hebt of heeft

Een aantal woorden in de Nederlandse taal kan worden vervoegd met de tweede of de derde persoon. Wanneer schrijf je nu 'kan' en wanneer schrijf je 'kunt'?

Voorbeeld: Je kan/kunt via Amsterdam rijden.


* Als 'je' de algemeen verwijzende betekenis heeft van 'men', schrijf je 'kan' (derde persoon).
* Als 'je' staat voor 'jij', gebruik je 'kunt' (tweede persoon).

- Je (men - derde persoon) kan via Amsterdam rijden.
- Je (jij - tweede persoon) kunt via Amsterdam rijden.


Bij zal/zult geldt hetzelfde verhaal.
- Je (men - derde persoon) zal dat moeten betalen.
- Je (jij - tweede persoon) zult dat moeten betalen.

'Hebt' of 'heeft'?
Zowel hebt als heeft kan gebruikt worden in een zin als: Hebt/Heeft u geld voor mij?
De voorkeur gaat echter uit naar 'hebt' (tweede persoon).

Let op: als je kiest voor de tweede persoon, dan moet je die keuze ook consequent toepassen bij de wederkerende werkwoorden:

- realiseert u uzelf
- verzekert u uzelf
- u hebt u vergist

(Uitzondering omwille van de leesbaarheid: 'Hebt u zich vergist?' in plaats van 'Hebt u u vergist?')

Naar boven

Komma vóór 'en'

Je plaatst een komma vóór het woord 'en' wanneer het ontbreken van die komma tot misverstanden kan leiden. Een voorbeeld:

Jan zag een zeehond die dol is op kabeljauw en haringen in een ton.

Voor de lezer is de zin helder. Jan zag een zeehond die dol is op twee soorten vis, namelijk kabeljauw en haringen.

Maar de schrijver bedoelde het wellicht anders. Misschien wilde de auteur duidelijk maken dat Jan niet alleen een zeehond zag, maar ook nog een stelletje haringen in een ton. Zonder komma komt zijn bedoeling niet uit de verf, omdat het (nevenschikkend) voegwoord 'en' de twee vissoorten aan elkaar verbindt. Met komma lukt het wel om de bedoeling duidelijk te maken. Kijk maar:

Jan zag een zeehond die dol is op kabeljauw, en haringen in een ton.

Nu verbindt het voegwoord 'en' de dol op kabeljauw zijnde zeehond en de haringen in een ton aan elkaar. De komma maakt duidelijk dat de betrekkelijke bijzin ... die dol is op kabeljauw ... bij de zeehond hoort.

Dankzij de komma lees je nu in het kort gezegd:

Jan zag een zeehond en haringen in een ton. Hij zag twee verschillende soorten dieren.

Je kunt in het hierboven besproken geval spreken van een niet-bedoelde betekenis.

Er kan nog een ander misverstand optreden. Kijk maar naar het volgende voorbeeld.

Hij zag er tijdens zijn vijfdaagse verblijf meerdere in de eerste en tweede nacht en de derde nacht bleek ook niet zonder vallende sterren te zijn verlopen.

In dit geval word je als lezer even op het verkeerde been gezet. Je krijgt namelijk de neiging te denken dat '... en de derde nacht ...' onderdeel uitmaakt van de opsomming. Wanneer je echter doorleest, zie je dat '... en de derde nacht..'. een nieuwe mededeling aankondigt.

In dit geval werpt het ontbreken van de komma een leesprobleem op. Een komma vóór 'en' had een dergelijk leesprobleem kunnen voorkomen.

Naar boven

't Kofschip

Bij zwakke werkwoorden in de verleden tijd moet er de ene keer -de en de andere keer -te achter het woord komen te staan. Het kan voorkomen dat je twijfelt welk van de twee er nu achter moet. In dat geval kan 't kofschip van pas komen. Het werkt
als volgt:

We nemen het zwakke werkwoord 'wuiven' als voorbeeld. De vraag is: schrijf je dat woord in de verleden tijd nu als 'wuifte'
of als 'wuifde'? Het antwoord vind je als volgt:

1. Kijk eerst naar het hele werkwoord (= wuiven)
2. Kijk welke letter er vóór de uitgang -en zit. In ons voorbeeld is dat de -v (wuiv-en)
3. Kijk of die letter (de -v) in 't kofschip voorkomt.

Is het antwoord ja? Schrijf dan stam + te(n). (De -n plaats je als het gaat om meervoud)
Is het antwoord nee? Schrijf dan stam + de(n)

De letter -v komt in 't kofschip niet voor. Dat betekent dus dat we stam + de schrijven. De stam van 'wuiven' is 'wuif'. Daar voegen we -de aan toe. Het antwoord is dus: wuifde (Hij wuifde ons gedag.)


Nog een voorbeeld, maar nu met het zwakke werkwoord 'surfen'. We volgen weer de regels 1 t/m 3.

1. Het hele werkwoord is 'surfen'
2. We zien dat de letter -f vóór de uitgang -en staat
3. De letter -f komt in 't kofschip voor, dus het antwoord is 'ja'. Dat betekent dat je stam + te schrijft: Hij surfte...

Naar boven

Koppel- of scheidingsteken

Het koppel- of scheidingsteken gebruik je in vier situaties:

1) scheiding van samenstellingen die moeilijk herkenbaar zijn (zee-egel)
2) scheiding van samenstellingen van een buitenlands en Nederlands woord of begrip (clearing-systeem)**
3 om gelijkwaardigheid van een samenstelling weer te geven (christelijk-historisch)
4) in vaste uitdrukkingen om te laten zien dat deze één geheel vormen (doe-het-zelver, kant-en-klaarpakket)


**Voor ingeburgerde buitenlandse woorden gelden dezelfde regels als voor Nederlandse woorden: aaneenschrijven in samenstellingen (databasesysteem, managementcursus - pas als er onduidelijkheid ontstaat mag het koppelteken tussengevoegd worden: front-office-automatisering).


Naar boven

Leestekens

Punt
- Gebruik je om het einde van een zin aan te geven
- Gebruik je bij afkortingen

Uitroepteken
- Gebruik je na een bevel of uitroep (Kom onmiddellijk hier! Alle hens aan dek!)

Vraagteken
- Gebruik je om een vragende zin af te sluiten (Hoe laat is het?) Dit doe je alleen bij directe vragen. Bij indirecte vragen plaats je geen vraagteken (Jan vroeg hoe laat het was.)

Komma
- Gebruik je tussen twee persoonsvormen (Als het meezit, wordt PSV kampioen.)
- Gebruik je tussen de delen van een opsomming (schoenen, sokken en een overhemd *na het voorlaatste deel geen komma)
- Gebruik je tussen twee bijvoeglijke naamwoorden die vóór een zelfstandig naamwoord staan (Die heldere, blauwe zee...)
- Bij vermelding van een aangesprokene (Eva, is dat waar? Dat is goed, Henk. Ik raad je aan, Theo, om het te doen.)
- Bij een uitbreidende bijzin (Sinaasappels, die oranje zijn, kun je eten.)
- Bij een bijwoordelijke bijzin (Toen hij aankwam, gingen de fans uit hun dak.)
- Voor en na een tussenzin (Die doelman, we spraken al eerder over hem, is niet zo goed als we dachten.)

Dubbele punt
- Gebruik je om aan te geven dat er een letterlijke aanhaling, een opsomming, een omschrijving, een toelichting of verklaring komt.

Puntkomma
- Gebruik je als twee of meer op elkaar aansluitende zinnen op een bepaalde wijze in verband staan met elkaar (Ik wil vandaag vrij; mijn baas vindt dat maar niets. *aan beide kanten van de puntkomma staat een hoofdzin)

Aanhalingstekens
- Gebruik je als je letterlijk opschrijft wat iemand zegt (citaat: "Dat is vreemd", zei Thea.)
- Om aan te geven dat een of meerdere woorden niet in de normale betekenis ervan worden gebruikt
*in dit geval gebruikt men bij voorkeur enkele aanhalingstekens (Van zo'n 'vriend' moet je het maar hebben.)
Zie ook: Aanhalingstekens.

Naar boven

Leenwoorden

Leenwoorden zijn woorden die uit een andere taal in het Nederlands zijn terechtgekomen. Voor de meeste leenwoorden zijn geen spellingsregels te geven. Voor een paar Engelse en Franse woorden zijn wat hulpmiddeltjes, maar bij twijfel is het verstandig het woordenboek te pakken

Engelse leenwoorden
Engelse leenwoorden hebben net als Nederlandse woorden één klemtoon (beautycase, mountainbike, slowmotion, maar: black power, mixed grill)

Koppelteken in Engelse leenwoorden
- Als in een samenstelling twee klinkers naast elkaar komen, dan gebruik je het koppelteken: body-art (net als in het Nederlands)
- Als een Engelse samenstelling eindigt met een voorzetsel dat met een klinker begint, gebruik je een koppelteken: drop-out, push-up)

Engelse werkwoorden
Engelse werkwoorden zijn in het Nederlands altijd zwak en je vervoegt ze net als Nederlandse werkwoorden.

- In de tegenwoordige tijd schrijf je STAM of STAM + T: ik race, hij racet, ik rugby, hij rugbyt
- In de verleden tijd gebruik je 't kofschip (laatste letter vóór -en, maar alleen -n weghalen: racen en rugby wordt: ik racete, ik heb geracet, ik rugbyde, ik heb gerugbyd

Franse leenwoorden
- Franse leenwoorden krijgen alleen een accent als dat voor de uitspraak nodig is (er komen alleen accenten op de letter -e: paté, volière, maar ragout, compote.
- Een Franse é in de eerste lettergreep verliest zijn accent: depot, defilé, etage, elite
- De vrouwelijke vorm van woorden op -é eindigt op -ee: logé - logee, prostitué - prostituee, introducé - introducee
- Franse woorden die nog vreemd zijn in het Nederlands, houden al hun accenten: au sérieux, déjà vu, maar serieus

Accenten
é = accent aigu (logé, attaché)
è = accent grave (carrière, confrère)
^ = accent circonflexe (bêta, enquête - vervalt bijna altijd bij klinkers a, o, u)

Trema
- Wanneer gebruik je een trema? Wanneer onduidelijkheid kan bestaan over uitspraak: rnie, bnvloeden
- Wanneer ontbreekt het trema? Dat ontbreekt wanneer er geen uitspraakproblemen dreigen
- Ontbreekt in woorden van Nederlandse herkomst wanneer twee i's op elkaar stoten: voltooiing, buiig, heiig, draaiing, etc.

Naar boven

Los of aaneen

De regel is dat woorden die één begrip vormen één woord zijn en dus aan elkaar vast worden geschreven: prentbriefkaartententoonstelling, waterpomptang, langetermijnproces, vitrinekast...

Als één woord schrijf je in ieder geval:
- woorden die aan elkaar gekoppeld zijn met de verbindingsletters -s, -e of -en: doktersadvies, horlogemaker, boerendochter.

- twee delen van een splitsbaar werkwoord die in dezelfde volgorde staan als in de infinitief (Omdat hij mij uitschold, heb ik met hem afgerekend. Hij scheldt uit wie hij wil, ik reken af met wie ik wil.)

- woorden die gemaakt zijn van er, hier, daar of waar plus een voorzetsel:
ervoor, erop, hierna, hiernaartoe, daarover, daartegenover, waarom, waardoor
.


Soms plaats je een koppel- of scheidingsteken. Zo'n teken plaats je in de volgende gevallen:

1. in woorden die onoverzichtelijk worden (huis-aan-huisblad, doe-het-zelfwinkel)
2. tussen twee klinkers die je samen kunt uitspreken (na-apen, zo-even)
3. bij letters, cijfers, andere tekens en St. of Sint (x-factor, 55-plusser, &-teken, Sint-Nicolaas)
4. bij aardrijkskundige namen, of woorden die daarvan zijn afgeleid (Noord-Frankrijk, Zuid-Hollandse, Nieuw-Zeelander)
5. in woorden met ex-, pro-, non-, niet-, oud-, anti- (bij anti- alleen als het woord erna begint met een hoofdletter: anti-Duits, maar antivries, antiburgerlijk). (ex-man, non-profit, niet-roker, oud-voorzitter)


Let op! In al hun wijsheid hebben de taalfreaken die de jongste Woordenlijst Nederlandse Taal hebben samengesteld, besloten om voorvoegsels als loco-, quasi-, vice-, privé- en semi- direct aan het woord te koppelen, dus zonder streepje: locoburgemeester, quasinonchalant, vicedirecteur, privéterrein en semiautomatisch. Mogelijk hebben ze het idee dat mensen met dyslexie wel van een beetje pijn houden. Een uitzondering op deze laatste taaldwaling, is wanneer twee klinkers met elkaar botsen: privé-initiatief, pseudo-intellectueel, vice-eersteminister. Mijn advies: gebruik lekker dat streepje!

Tip 1. Let op woorden als 'teveel' en 'tekort'. Deze schrijf je alleen aan elkaar vast als ze als zelfstandig naamwoord worden gebruikt: 'het tekort is aardig opgelopen', maar... 'dat is te kort door de bocht', of 'hij heeft te veel geld', maar... 'hij heeft het teveel opgemaakt'. Hetzelfde geldt voor 'tegoed' en 'te goed': 'ik heb nog geld te goed', maar... 'het tegoed krijg ik morgen pas'.

Andere veelvoorkomende vormen van los of aaneen zijn:
- hoelang (bij tijdsduur: Hoelang ben je onderweg?) / hoe lang ((bij lengteaanduiding: Hoe lang is hij?)
- hoever (bij minder letterlijke betekenis: Hoever ben je bereid te gaan?) / hoe ver ((bij letterlijke afstand: Hoe ver is het nog naar het stadion?)
- tenslotte (ik heb welbeschouwd niets gedaan) / ten slotte (-ter afsluiting)
- zojuist (het is net gebeurd) / is het zo juist (is het zo goed?)
- zover (zover je het kunt zien) / zo ver (is het zo ver weg?)
- tenminste (althans, dat dacht ik) / ten minste (het is op zijn minst ongelukkig te noemen)
- weleens (dat komt soms voor) / wel eens (hij wil dat wel eens meemaken)

Let op, hoeveel en hoezeer zijn altijd aaneen: Hoeveel kilometer heeft hij al gereden? Hoezeer hij zijn beslissing ook betreurde...

Tip 2. Je schrijft degene, datgene, dezelfde, hetwelk, maar... die zelfde en een zelfde.


Getallen
Het aaneenschrijven van getallen, kent specifieke regels:

1.
Getallen van 0 t/m 100 worden aan elkaar geschreven
- anderhalf, drieëntwintig, zevenenvijftig, negenentachtig, maar... honderd en twee, tweehonderd en zesentwintig, drieduizend zeshonderd vierentwintig.

2. De getallen 1 t/m 100 gevolgd door -honderd, -duizend worden aan elkaar geschreven
- dertienhonderd, zevenentwintigduizend, maar... drieënvijftig miljoen.


3. Breuken krijgen een spatie tussen de teller en de noemer
- drie vierde, twee derde, zeven vierenzestigste.

Let op! Bij samenstellingen verdwijnt de spatie:
- De Kamer behaalde een tweederdemeerderheid.
- Dat is een zesachtstemaat.


Naar boven

Lidwoorden

Er zijn drie lidwoorden: de, het, een

Lidwoorden horen altijd bij zelfstandige naamwoorden. Soms staan er één of meer woorden tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord.

De
Is een bepaald lidwoord.
Een zelfstandig naamwoord waar de bij hoort, is een vrouwelijk (v) of een mannelijk (m) zelfstandig naamwoord.

Het
Is een bepaald lidwoord.
Een zelfstandig naamwoord waar het bij hoort, is een onzijdig zelfstandig naamwoord. Soms is het geen lidwoord, maar een persoonlijk voornaamwoord. (Hij heeft het gedaan.)

Een
Is een onbepaald lidwoord.
Het lidwoord een past bij alle zelfstandige naamwoorden. Je spreekt het uit als 'un'. Als je het uit kunt spreken als één, dan is het geen lidwoord (maar een telwoord).


Zie ook: 'De' en 'het' Naar boven

Meewerkend voorwerp

Er zijn meerdere manieren om het meewerkend voorwerp in een zin te vinden:
- de woorden 'aan' of 'voor' staan ervóór (en je kunt ze weghalen)
- je kunt de woorden 'aan' of 'voor' ervoor zetten

Let op:
'aan' of 'voor' moet wel de betekenis 'bestemd voor' hebben!

Als het een meewerkend voorwerp is waarin 'aan' of 'voor' voorkomt, dan staat deze meestal aan het einde van de zin.
Als 'aan' of 'voor' er niet bij staat, staat het meewerkend voorwerp nooit aan het einde van de zin.

Een paar voorbeelden:
Wim geeft de bal aan Piet.
Ik koop een ring voor mijn vriendin.


Sjaak geeft Wilma zijn fiets.
Madonna geeft Mickey een toegangskaart.


Nog twijfel?
Heb je nog twijfel bij het vinden van het meewerkend voorwerp? Probeer dan eens het woord 'aan' ervoor te zetten of weg te laten. Lukt dit, dan heb je te maken met een meewerkend voorwerp. Een voorbeeld:

1.
Dirk vroeg Jan een vuurtje. Hiervan kun je maken: Dirk vroeg aan Jan een vuurtje.
2.
Mieke stuurde een brief aan haar moeder. Hiervan kun je maken: Mieke stuurde haar moeder een brief.

In zin 1 zie je dat je 'aan' kunt toevoegen zonder dat de zin krom wordt. Je hebt dus te maken met een meewerkend voorwerp.
In zin 2 lukt het om het woord 'aan' weg te laten zonder dat de zin krom wordt. Wel heb je de woordvolgorde moeten veranderen. Dus ook hier heb je te maken met een meewerkend voorwerp.

Naar boven

Lijdende vorm en bedrijvende vorm

Een zin met een werkwoordelijk gezegde, kun je in de bedrijvende vorm (een actieve zin) of in de lijdende vorm (een passieve zin) weergeven. Laten we eens kijken naar de volgende zinnen.

1.
Jan onderhoudt de tuin van mijn zuster.
2.
De tuin van mijn zuster wordt door Jan onderhouden.

Zin 1 staat in de bedrijvende vorm. In deze zin is 'Jan' het onderwerp. Jan is de persoon die de handeling verricht. Het lijdend voorwerp in deze zin is 'de tuin van mijn zuster'.

Zin 2 staat in de lijdende vorm. Nu geeft het onderwerp ('De tuin van mijn zuster') aan wie (of in dit geval wat) de handeling ondergaat.

Kijk nog eens goed naar zin 2. Er vallen drie dingen op, namelijk:

1. Waar 'de tuin van mijn zuster' in zin 1 nog lijdend voorwerp was, is dit zinsdeel nu onderwerp geworden.
2. Er is een vorm van 'worden' of 'zijn' toegevoegd. In dit geval is dat 'wordt'.**
3. Het woordje 'door' is erbij gekomen. Het is geplaatst vóór het woord dat in zin 1 nog onderwerp was (Jan). Daarmee heb je een bijwoordelijke bepaling aan de zin toegevoegd; je hebt extra informatie gegeven.

**Let op! 'Worden' gebruik je in de onvoltooide tijden. 'Zijn' gebruik je in de voltooide tijden.

Bovengenoemde drie punten zijn dan ook je gereedschap om een actieve zin om te zetten in een passieve zin. Een voorbeeld:

Veronderstel, je hebt de volgende (actieve) zin: De boer melkt de koe.

In deze zin is de koe het lijdend voorwerp, want: wie/wat + gezegde + onderwerp = de koe
Maak nu een nieuwe zin waarbij je het lijdend voorwerp voorop zet. Je begint je zin dus met: De koe... Dit wordt dan meteen het onderwerp.

Vervolgens voeg je een vorm van 'worden' of 'zijn' toe. In dit geval nemen we het woord 'wordt'. Je krijgt dan:

De koe wordt... (De koe = onderwerp, wordt = persoonsvorm)

Voeg nu het woordje 'door' toe, gevolgd door de boer (het onderwerp in de actieve zin) .


Je hebt nu een bijwoordelijke bepaling toegevoegd (door de boer). Je hebt nu:

De koe wordt door de boer...

Nu hoef je er alleen nog maar het woord 'gemolken' achteraan te plakken. De passieve zin luidt dan:


De koe wordt door de boer gemolken.
Je hebt de zin nu veranderd van een actieve zin naar een passieve zin.


Samenvattend kun je zeggen dat je een actieve zin (met lijdend voorwerp) kunt omzetten in een passieve zin door:
1. het lijdend voorwerp voorop te zetten en het ook nog eens onderwerp te maken en...
2. een vorm van 'worden' (onvoltooide tijd) of 'zijn' (voltooide tijd) toe te voegen en...
3. het woordje 'door' voor het in de actieve zin zijnde onderwerp te plaatsen (je maakt er dus een bijwoordelijke bepaling van)


Naar boven
Mits of tenzij?

Mits gebruik je in de betekenis van 'op voorwaarde dat'. Je kunt het woord ook vervangen door 'indien'.

Ik ga met je mee, mits jij de benzine betaalt.

Tenzij gebruik je in de betekenis van 'behalve als'.

Ik ga met je mee, tenzij ik de benzine moet betalen.

Naar boven

Morfemen / prefix / infix / suffix

Morfologie = taalkunde die de woordvorming bestudeert.

Een muur is opgebouwd uit afzonderlijke stenen. Hoe groter de muur, hoe groter het aantal stenen dat erin zit. Een woord is ook opgebouwd uit 'stenen'. Ook hier geldt: hoe uitgebreider het woord, hoe meer bouwstenen je nodig hebt.

De bouwstenen van een woord worden morfemen genoemd. Een morfeem is het kleinste betekenisdragende element in een woord. Zo'n element staat helemaal op zichzelf; je kunt het niet meer splitsen. Het is één bouwsteen.

Er zijn drie soorten morfemen:
1. stammorfeem
2. flexiemorfeem
3. afleidingsmorfeem

Stammorfeem
Een stammorfeem is een morfeem dat een helder omlijnde betekenis heeft. Je kunt de betekenis heel duidelijk omschrijven. Het kan daarom dan ook als een zelfstandig woord voorkomen. Het kan dus dienst doen als een woord. Wanneer je van twee of meer van zulke morfemen een nieuw woord vormt, spreek je van een 'samenstelling'.

Een voorbeeld:
- Huis = één stammorfeem - dit woord kun je niet meer splitsen, dus is één steen.
- Huisdeur = twee stammorfemen: huis & deur. Het zijn twee woorden/stenen (die aan elkaar geplakt zijn).
- Huisdeursleutel = drie stammorfemen: huis & deur & sleutel. Het zijn drie woorden/stenen (die aan elkaar geplakt zijn).

Het woord 'huisdeursleutel' is dus niet meer dan een samenstelling (van drie stammorfemen). De definitie van een samenstelling is... een woord dat bestaat uit delen die ook los kunnen voorkomen. En daarmee is het cirkeltje dus rond. Nog een voorbeeld:

Zaalhandbalclub = zaal / hand / bal / club = vier stammorfemen. Dit hele woord is dus een samenstelling van vier aan elkaar geplakte, maar afzonderlijk te gebruiken woorden/stenen (vier morfemen) die stuk voor stuk niet meer gesplitst kunnen worden.

Het wil echter niet zeggen dat je er geen bouwstenen meer aan toe kunt voegen. Aan huisdeursleutel kun je bijvoorbeeld nog de flexiemorfemen -tje en -s toevoegen. Dan krijg je het woord huisdeursleuteltjes. Bij zaalhandbalclub is het niet anders: zaalhandbalclubjes. Hier voeg je -je en -s toe. Verdere informatie over het flexiemorfeem vind je hieronder.

Flexiemorfeem
Het kenmerk van een stammorfeem is dat het een woord vormt dat je afzonderlijk én in een samenstelling kunt gebruiken. Aan dat woord kun je een heldere betekenis geven. Een flexiemorfeem kun je niet als zelfstandig woord gebruiken. Je kunt er ook geen heldere betekenis aan geven. Een flexiemorfeem is het gevolg van een vervoeging of verbuiging van een woord. Een paar voorbeelden:

- doeken: doek = stammorfeem + -en = flexiemorfeem (-en is geen woord en je kunt er geen betekenis aan geven). Samen zijn het twee bouwstenen.
- daders: dader = stammorfeem + -s = flexiemorfeem (-s is geen woord en je kunt er geen betekenis aan geven). Samen zijn het twee bouwstenen.
- gewerkt: werk = stammorfeem + -t = flexiemorfeem (-t is geen woord en je kunt er geen betekenis aan geven). Je ziet hier ook nog ge- onderstreept staan. Ook dit is een morfeem, namelijk een afleidingsmorfeem. Dat wordt verderop besproken. Het betekent dat dit woord uit drie bouwstenen/morfemen bestaat.
- 's nachts: -'s = flexiemorfeem + nacht = stammorfeem + -s = flexiemorfeem (-'s en -s zijn geen woorden en je kunt er geen betekenis aan geven) ('s is overigens een naamval).

Afleidingsmorfeem
Afleidingsmorfemen staan meestal vooraan of achteraan in het woord (maar ook soms in het midden). Je komt ze tegen bij afleidingen (afleiding bestaat uit een grondwoord + voor-, achter- of tussenvoegsel).

Er zijn drie soorten afleidingsmorfemen:

1. prefix (deze staat vóóraan, dus voorvoegsel)
2. infix (deze staat in het midden, dus tussenvoegsel)
3. suffix (deze staat áchteraan, dus achtervoegsel)

Prefix
- on (betekenis 'niet'): onkruid, onding, onmens, onweer
- wan (betekenis 'slecht' of 'verkeerd'): wandaad, wanprestatie, wanhoop
- ge (betekenis 'terugkerende' of 'voortdurende handeling') geblaf, gedoe, gejuich

En zo zijn er nog heel veel prefixen.

Infix
- en -: krantenartikel

Suffix
- schap: vriendschap, beterschap, eigenschap, vaderschap
- dom: eigendom, bisdom, hertogdom
- heid: blijheid, schoonheid, afstandelijkheid

Let op: al het bovenstaande heeft niets met lettergrepen te maken!!

Tot slot:
Is het achtervoegsel -st, -heid, -is, -ing, -schap, -de, -te of -ij, dan is het een vrouwelijk woord.
Voorbeeld:
stammorfeem is vang + st (suffix) = vangst = vrouwelijk.
winst = win (stammorfeem) + -st (suffix) = winst = vrouwelijk

Naar boven
Naamvalsvormen

De verbuiging in naamvallen van het zelfstandig naamwoord, het bijvoeglijk naamwoord, het lidwoord en de voornaamwoorden is grotendeels verdwenen in het Nederlands. In het verleden werden in onze taal naamwoorden wél verbogen. Het Nederlands kende vier naamvallen:

1e naamval: nominativus (naamval van het onderwerp)
2e naamval:genitivus (ter aanduiding van een bezitsrelatie
3e naamval: dativus (naamval van het meewerkend voorwerp)
4e naamval: accusativus (naamval van het lijdend voorwerp)

Daarnaast volgde op een aantal voorzetsels de derde naamval en op een aantal andere voorzetsels de vierde naamval.

Het zelfstandig naamwoord kende drie verbuigingen. In het enkelvoud mannelijk en vrouwelijk zag de verbuiging er als volgt uit:

  lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
1e de mooie man
Mannelijk 2e des mooien mans
3e den mooien manne
4e den mooie man

lidwoord bijvoeglijk naamwoord zelfstandig naamwoord
1e de jonge vrouw
Vrouwelijk 2e der jonge vrouw
3e der jonge vrouw
4e de jonge vrouw

Naamvalsrelicten
In bepaalde vaste uitdrukkingen komen de naamvallen in onze taal nog voor. Die uitdrukkingen worden naamvalsrelicten genoemd. Enkele van die (veelgebruikte) naamvalsrelicten zijn:

- aan den lijve
- in groten getale
- te uwer beschikking
- ten laste van
- op staande voet
- in den vreemde
- in der minne

Dergelijke uitdrukkingen vind je vooral in ambtelijke en clichématige taal. Vermijden is daarom het advies! Gebruik je ze toch, let dan op de juiste schrijfwijze van de naamval. Gebruik bij twijfel het woordenboek!

Resten van het naamvalgebruik

Binnen veel woorden vind je ook resten van het naamvalgebruik:

- destijds - ternauwernood - tentoonstelling - tenminste - heterdaad - desnoods


Naar boven

Nevenschikking

Bij nevenschikking worden gelijke grammaticale eenheden met elkaar verbonden. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een nevenschikkend voegwoord. Voorbeelden zijn:

2 hoofdzinnen (Ik kom straks terug en ik begin dan onmiddellijk aan de klus) (Beide zinnen hebben een voor-pv)
2 bijzinnen (Ik beloof dat ik morgen naar huis kom en dat ik meteen aan de slag ga) (Beide bijzinnen hebben een achter-pv)
2 woordgroepen (Hij was een goede echtgenoot en toegewijde vader) (In dit geval hebben beide groepen een zelfst. nw. als kern)
2 woorden (Hitte en ontbering maakten het tot een zware opgave)


Naar boven

Nevenschikkend voegwoord

Het nevenschikkend voegwoord verbindt twee gelijke grammaticale eenheden, namelijk:

2 hoofdzinnen: Ik kom straks terug en ik begin dan onmiddellijk aan de klus. Beide zinnen hebben een voor-pv.
2 bijzinnen: Ik beloof dat ik morgen naar huis kom en dat ik meteen aan de slag ga. Beide bijzinnen hebben een achter-pv.
2 woordgroepen: Hij was een lieve echtgenoot en begripvolle vader. In dit geval hebben beide groepen een zelfst. nw. als kern.
2 woorden: Storm en regen maakten het tot een zware opgave.

Naar boven

Om (het gebruik van)

Het woord 'om' gebruik je om een doel aan te geven.
- Hij heeft alles in het werk gesteld om de dief te pakken.
- Hij was te jong om dat te beseffen.

Je laat het weg als er een doelaanwijzend woord aan voorafgaat.
- Hij kwam met de bedoeling hun een afstraffing te geven.
- Hij koesterde de wens nog eenmaal te schitteren.


Naar boven

Onderschikkend voegwoord

Het onderschikkend voegwoord staat steeds aan het begin van een bijzin, die deel uitmaakt van een hoofdzin, of een bijzin van hogere orde. Het leidt een bijzin in en verbindt daarmee afhankelijke mededelingen met de hoofdzin. Daarnaast kom je een aantal onderschikkende voegwoorden tegen met te + infinitief.

Veel gebruikte onderschikkende voegwoorden zijn 'dat' en 'of':

Ik zeg dat ik volgende week vrij neem.
Het is de vraag of mijn baas dat zal toestaan
.
Als ik morgen vrij neem, ga ik naar het voetballen.
Ik kom om de winkel af te sluiten. (te + infinitief)
Door hard te werken bereik je veel. (te + infinitief)

Onderschikkende voegwoorden kunnen allerlei betekenisverhoudingen uitdrukken, zoals:
- tijd (terwijl)
- reden (omdat)
- oorzaak (doordat)
- gevolg (zodat)

Let op: sommige voegwoorden zien eruit als voorzetsels. De functie is echter bepalend. Staat het woord aan het begin van een zin, dan spreek je van een voegwoord. Staat het woord aan het begin van een woordgroep, dan is het veelal een voorzetsel.


Naar boven
Onderwerp

Als je de persoonsvorm van een zin gevonden hebt, kun je op zoek gaan naar het onderwerp. Een onderwerp kan uit één of meerdere woorden bestaan. Er zijn twee manieren om het onderwerp te vinden:

1.
Stel de volgende vraag: wie of wat + gezegde? Het antwoord op die vraag is het onderwerp.

- Johan Vogel voetbalt bij PSV. Wie voetbalt? Johan Vogel.
- Het bedrijf verhuist morgen. Wat verhuist morgen? Het bedrijf.

2.
Verander de persoonsvorm van getal (enkelvoud/meervoud) en kijk welk woord mee moet veranderen.

- Morgen vertrekken
de Eindhovense voetballers naar Utrecht.
- Morgen vertrekt
de Eindhovense voetballer naar Utrecht.


Naar boven

Onderwerpszin / lijdendvoorwerpszin / bijwoordelijke bijzin / meewerkendvoorwerpszin / voorzetselvoorwerpszin

Een bijzin is een zinsdeel van de hoofdzin. Vaak kun je zo'n bijzin vervangen door één woord.

Er zijn verschillende soorten bijzinnen:
- onderwerpszin
- lijdendvoorwerpszin
- bijwoordelijke bijzin
- meewerkendvoorwerpszin
- voorzetselvoorwerpszin

Onderwerpzin
Een onderwerpszin is een bijzin die de functie van onderwerp heeft. Een voorbeeld:

Dat zij geen zin heeft, is heel begrijpelijk.
Dat is heel begrijpelijk
.

Wat je gedaan hebt, kan nooit meer goedgemaakt worden.
Dat kan nooit meer goedgemaakt worden.


Lijdendvoorwerpszin
Een lijdendvoorwerpszin is een bijzin die de functie van lijdend voorwerp heeft:

Hij vertelde me dat zijn vrouw borduurt.
Hij vertelde me iets
.

Bijwoordelijke bijzin
Een bijzin die de functie van bijwoordelijke bepaling heeft, noemen we een bijwoordelijke bijzin:

Toen ik jou zag, sloeg mijn hart op hol.
Toen sloeg mijn hart op hol
.


Meewerkendvoorwerpszin
We reserveerden een plaats voor de laatkomers.
(Aan) wie de meeste punten heeft, geef ik een beker.

Voorzetselvoorwerpszin
In zinnen met een voorzetselvoorwerpszin komt heel vaak een voorlopig voorzetselvoorwerp voor:

- Hij legde zich neer bij de beslissing
- Hij legde zich erbij neer dat de jury een verkeerde beslissing nam.

Het voorlopig voorzetselvoorwerp bestaat uit het woordje 'er' + het vaste voorzetsel.


Naar boven

Ontleden

Elke zin bestaat uit zinsdelen. Zo'n zinsdeel kan uit één woord bestaan, maar ook uit een groepje woorden. De zinsdelen zijn:

Persoonsvorm - onderwerp - gezegde - lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp - voorzetsel voorwerp - bijwoordelijke bepaling.

Als je wilt weten hoe je deze zinsdelen kunt vinden, klik dan op de hierboven genoemde zinsdelen.
Zie ook: redekundig en taalkundig ontleden.

Naar boven
Plaatsonderwerp / voorlopig onderwerp / uitlooponderwerp / loos onderwerp

Plaatsonderwerp
Er is een regel die zegt dat onderwerp en persoonsvorm in een enkelvoudige zin onscheidbaar zijn. Een enkele keer wordt die regel overtreden, namelijk wanneer er sprake is van een plaatsonderwerp, oftewel het woordje 'er'.

Het plaatsonderwerp vind je aan het begin van de zin of direct na de persoonsvorm.

Er is sprake van een plaatsonderwerp als het woordje 'er' op de plaats staat van het eigenlijk onderwerp. Een paar voorbeelden:

Er staat al jaren een snackbar op de hoek van de straat. (Een snackbar staat ... straat.)
Al jaren staat er een snackbar op de hoek van de straat.

Er stond een politieman voor de deur. (Een politieman stond ... deur.)
Gisteravond stond er een politieman voor de deur.

Voorlopig onderwerp
Het voorlopig onderwerp staat aan het begin van een zin.
Het verwijst naar het eigenlijk onderwerp aan het eind van de zin of een bijzin.

Voorbeeld:
Het is mogelijk dat die brief vals is. 'Het' verwijst naar 'dat die brief vals is'.
Het is wel begrijpelijk dat hij zo doet. 'Het' verwijst naar 'dat hij zo doet'.

Uitlooponderwerp
In gevallen met vooruitverwijzing met het woordje 'het' is er sprake van een dubbel onderwerp, namelijk het voorlopig onderwerp en het eigenlijk onderwerp. Het onderwerp dat achteraan staat (het eigenlijk onderwerp) wordt het uitlooponderwerp genoemd.
Zo'n uitlooponderwerp bevat een persoonsvorm en is als het ware een zin binnen een zin.

Behalve met het woordje 'het' kom je dat verschijnsel ook tegen bij het woordje 'er':

Er (voorlopig onderwerp) wordt gezegd dat hij dood is (uitlooponderwerp).

Loos onderwerp
Een loos onderwerp heeft geen betekenis. Het staat er slechts voor de vorm.
Een loos onderwerp wordt als onderwerp gebruikt:

- in samenhang met een natuurgebeuren - Het sneeuwt.
- wanneer de oorzaak onbekend is - Het spookte in het gebouw.
- wanneer men het onderwerp niet wil aangeven - Het lekte in de garage.

Naar boven
Samengestelde zin / enkelvoudige zin

Enkelvoudig
Een zin is enkelvoudig als er tussen hoofdletter en punt slechts één persoonsvorm aanwezig is:

PSV wordt ook dit jaar kampioen. Dat arrogante Ajax kan het voor de zoveelste keer vergeten.

Samengesteld
Een zin is samengesteld als tussen hoofdletter en punt meer dan één persoonsvorm aanwezig is.

Een samengestelde zin kan bestaan uit:
- twee hoofdzinnen met een voegwoord ertussen (Jan schrijft een brief en Peter speelt piano)
- een hoofdzin waarin een bijzin is opgenomen (Ik ontdekte dat hij gelogen had.)

Tip!
* Bij een hoofdzin staan pv en onderwerp naast elkaar. (Er kunnen geen andere zinsdelen tussen)
* Bij een bijzin kunnen er tussen pv en onderwerp wel andere zinsdelen staan:

- Maria vertelde (hoofdzin) dat zij in Eindhoven was geweest (bijzin).

* Een bijzin kun je vervangen door een zinsdeel zónder pv:

Ik zet de muziek aan zodra ze hier zijn ---> Dan zet ik de muziek aan.

Naar boven

Scheidbare en onscheidbare werkwoorden

Sommige werkwoorden zijn samengesteld. Dat betekent dat het werkwoord is voorzien van een voorvoegsel.
- Jan wil Piet overhalen. (Betekenis 'iemand bepraten / overreden.)
- Zij kunnen de situatie niet overzien.

Soms is zo'n werkwoord scheidbaar, soms niet. Maar hoe kom je daar nu achter? Zodra de klemtoon bij een samengesteld werkwoord op het eerste woord ligt, heb je te maken met een scheidbaar werkwoord. Je kunt dan het eerste deel van de samenstelling losmaken van het tweede deel..

Overhalen: de klemtoon ligt hier op 'over'.
- Jan haalt Piet over.

Hier kun je het eerste deel van de samenstelling losmaken van het tweede deel. Wat opvalt, is dat het voorvoegsel naar achteren is geschoven. Bij een scheidbaar samengesteld werkwoord is dat verplicht..

Overzien: de klemtoon ligt hier op 'zien'. Losmaken is dan ook niet mogelijk, zoals in de volgende zin blijkt.
- Zij zien de situatie niet over. Dit moet zijn: zij overzien de situatie niet.

Zoals gezegd bepaalt de plaats van de klemtoon of een samengesteld werkwoord scheidbaar is of niet. De volgende voorbeelden maken dat nog eens duidelijk.

- Zij óverleggen de stukken.

De klemtoon ligt op het eerste deel, dus is het werkwoord scheidbaar: Zij legden de stukken over. Je kunt het voorvoegsel naar achteren schuiven.

- Zij overléggen hoe ze het zullen doen.

De klemtoon ligt nu op het tweede deel, dus is het werkwoord niet scheidbaar. Je kunt niet zeggen: Zij legden over hoe ze het zullen doen.

Naar boven
Spelling van de persoonsvorm in tegenwoordige tijd

De spelling van de persoonsvorm in tegenwoordige tijd heeft drie vormen:

1. Stam (hele woord min -en)
2. Stam + t (ander enkelvoud)
3. Hele werkwoord (meervoud)

De stam vind je door eerst het hele woord te nemen en vervolgens -en weg te halen:
- worden = word
- binden = bind

Soms moet je een letter toevoegen of veranderen:
- besteden = besteed
- verhuizen = verhuis

1. Stam
Je schrijft alleen de stam als:

- IK erbij staat (Ik
word gek van die muziek - Word ik gek van die muziek?)
- JE of JIJ erachter staat (Word jij er ook gek van?)**
- de GEBIEDENDE WIJS van toepassing is (Word toch eens volwassen!)

**Let op! Als 'je' de betekenis heeft van 'jouw', dan schrijf je stam + t.


2. Stam + t
Je schrijft stam + t als:

- als er sprake is van een ANDER ENKELVOUD -dus als geen van de punten bij stam van toepassing is- (Jij wordt de beste van de klas. De machine werkt nog steeds. Wordt je vader morgen vijftig jaar?)


3. Hele werkwoord
Je schrijft het hele werkwoord als er sprake is van MEERVOUD:

- De jongens voetballen al een uur.
- De machines werken nog steeds.


Spelling van de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd in schema:
STAM STAM + T MEERVOUD
ik erbij
je/jij erachter**
gebiedende wijs
ander enkelvoud hele werkwoord
** Als 'je' de betekenis heeft van 'jouw', schrijf je stam + t.

Naar boven

Spelling van de persoonsvorm in verleden tijd

Om te weten hoe je een persoonsvorm in de verleden tijd schrijft, moet je eerst weten of je te maken hebt met:
- een zwak werkwoord (verandert niet van klank in de verleden tijd : ik blus, ik bluste, wij blusten), of
- een sterk werkwoord (verandert wél van klank in de verleden tijd : ik geef, ik gaf, wij gaven)

Sterk werkwoord
Is het een sterk werkwoord, dan schrijf je het woord zo simpel mogelijk op:
- (Zingen) Ik zong de hele tijd. We zongen de hele tijd.
- (Lopen) Ik liep door de straat. Wij liepen door de straat.

Zwak werkwoord
Is het een zwak werkwoord, dan schrijf je stam + te of stam + de:
- (Strooien) Ik strooide het zout over de aardappelen.
- (Besteden) Hij besteedde veel geld.
- (Biljarten) Ik biljartte de hele avond.

Let op! Wanneer er sprake is van meervoud, dan zet je er ook nog een -n achter:
Wij strooiden....
Zij besteedden...
De broers biljartten...


Tip!
Meestal weet je uit jezelf of je bij zwakke werkwoorden in de verleden tijd -de of -te moet gebruiken. Twijfel je toch nog, gebruik dan de regel van 't kofschip.

Naar boven

Spreekwoorden en gezegdes

Spreekwoord
Een spreekwoord is een vaste, onveranderlijke zin met een heel bijzondere, figuurlijke betekenis. Vaak drukt een spreekwoord een wijze les uit. Voorbeeld:
- Bezint eer gij begint. (Denk na voordat je iets doet.) Aan deze zin kun je geen woord veranderen.


Gezegde (ook wel zegswijze of uitdrukking genoemd)
Een gezegde is een combinatie van woorden met een figuurlijke betekenis, maar de wijze les ontbreekt meestal. In dit geval kun je wel een paar woorden veranderen. Voorbeeld:
- Iemand naar de mond praten. (Dingen zeggen die de ander graag wil horen.) Hiervan kun je maken:
* Hij praat haar naar de mond, of...
* Ik heb hem niet naar de mond gepraat.

Je kunt er dus wijzigingen in aanbrengen.

Bij gezegdes kun je vaste vergelijkingen tegenkomen. Je vergelijkt dan het een met het ander. Voorbeelden:
- Zo glad als een aal.
- Zo lek als een mandje.

Thema's
Bekende thema's bij spreekwoorden en gezegdes:

- marteling: er gaan koppen rollen - bloed onder de nagels vandaan halen
- dieren: ze is geen katje om met blote handen aan te pakken - als kat en hond leven
- weer: als de gesmeerde bliksem - als het ijs gebroken is
- fruit: appels met peren vergelijken - de appel valt niet ver van de boom
- boten: met de kloten voor het blok (kloten: rolkralen in rijglijg voor grootzeil aan mast, ook: knopen in een lijn die niet door een blok (katrol ) kunnen. De kont tegen de krib gooien (Kont: achterkant van het schip) tegen een strekdam (krib) zetten in een rivier en daardoor niet verder kunnen maar ook de rest blokkeren.
- geld: met klinkende munt betalen - met gelijke munt betalen


Naar boven
Telwoorden

Telwoorden kun je onderverdelen in:
1. Hoofdtelwoorden
2. Rangtelwoorden


Hoofdtelwoord
Het hoofdtelwoord noemt een aantal.
Het hoofdtelwoord is onder te verdelen in:
- bepaald hoofdtelwoord (één, twee, twaalf)
-
onbepaald hoofdtelwoord (veel, weinig, alle)

Rangtelwoord
Het rangtelwoord noemt een rangorde.
Het rangtelwoord is onder te verdelen in:
- bepaald rangtelwoord (eerste, tweede, vijfde)
- onbepaald rangtelwoord (laatste, middelste, zoveelste)


Naar boven

Verkleinwoorden

Een verkleinende vorm van een zelfstandig naamwoord maak je door iets aan dat woord toe te voegen (een achtervoegsel), namelijk: -etje, -je, -kje, -pje of -tje.

Voorbeelden: ringetje, hondje, koninkje, boompje en deurtje.

Als een woord eindigt op de klinkers a, o, u of ee, dan wordt die klinker bij de verkleining verdubbeld:

- la wordt laatje - oma wordt omaatje
- auto wordt autootje
- paraplu wordt parapluutje
- slee wordt sleetje

Pas op! De verdubbeling van de klinker verdwijnt echter bij afbreking op het einde van een zin, dus:

auto-
tje

paraplu-
tje

la-
tje

Sleetje blijft bij afbreking op het einde van een zin wel met dubbele klinkers geschreven:

slee-
tje

Woorden die eindigen op -i krijgen er bij het verkleinen een -e bij:

- ski wordt skietje
- taxi wordt taxietje

Woorden die eindigen op -y krijgen er een apostrof bij, waarna het achtervoegsel volgt:

- baby'tje
- hobby'tje

Een apostrof gebruik je ook bij de verkleinvorm van letters en afkortingen:

A4 wordt A4'tje
Cd wordt cd'tje

Tot slot: het sjieke woord diner wordt bij verkleining dinertje. Café wordt cafeetje.


Naar boven

Verwijswoorden

Verwijswoorden slaan vaak terug op eerdergenoemde woorden. Soms wijzen ze vooruit naar woorden die verderop komen.

Voorbeelden:
Het kleed dat hier ligt, is erg mooi. (Het woord dat verwijst terug, namelijk naar het kleed.)
De man die daar staat, is PSV-supporter. (Het woord die verwijst terug, namelijk naar de man.)
Het is nu zeker dat PSV kampioen wordt. (Het verwijst vooruit, namelijk naar dat PSV kampioen wordt.)

Een verwijswoord kan ook verwijzen naar iets in een vorige zin:
Kende jij die mop al? Ja, ik had hem al eerder gehoord. (Hier verwijst hem naar die mop in de vorige zin.)

Wanneer gebruik je 'die' en wanneer 'dat'?
Die gebruik je wanneer je te maken hebt met een de-woord (de jongen, de auto): de jongen / auto die daar staat....
Dat gebruik je wanneer je te maken hebt met een het-woord (het meisje, het boek): het meisje / boek dat daar staat...

En verder...
Naar mannelijke woorden verwijs je met hij, hem of zijn: als de agent (m) iemand arresteert, toont hij eerst zijn politiepenning.
Naar vrouwelijke woorden verwijs je met zij, ze en haar: de leeuwin (v) liet niemand toe in de buurt van haar welpjes.
Naar onzijdige woorden verwijs je met het en zijn: het pand (o) is beschadigd. Het heeft een deel van zijn waarde verloren.

Naar mensen verwijzen
Je gebruikt op wie, aan wie, met wie enzovoort, om naar mensen te verwijzen.
Als het niet om mensen gaat, gebruik je erop, eraan, hiermee.
- Jan is een kameraad op wie je kunt rekenen. (Op wie verwijst naar Jan, dus een mens.)
- Ik reken erop dat Jan komt. (Je rekent op de komst van Jan en dus niet op Jan zelf. Dus geen mens.)


Woorden als waarvan, waaraan, waardoor, waarin, etc. verwijzen eveneens terug naar zaken of dieren:

De auto waarvan hij houdt, is totaal vernield. (zaak)

De vrouw van wie hij houdt, is bij hem weggegaan. (mens)


Naar boven

Voltooid en onvoltooid deelwoord/tegenwoordig deelwoord

Kenmerken van een voltooid deelwoord:
- Begint vaak met een voorvoegsel: ge- of ver- of on- (gebeld, gezakt, verwerkt verbogen, ongevaarlijk) en soms met ont- (onthuld)
- Soms staat het voorvoegsel midden in het woord: overgewerkt, opgebeld, uitvergroot ( = bij scheidbare werkwoorden: werkt over = overgewerkt; belt op = opgebeld, etc.)
- Een voltooid deelwoord is nooit het enige werkwoord in de zin. Er staat altijd een ander werkwoord bij, namelijk de persoonsvorm: (hij heeft gebeld; zij is geweest)

Voltooide deelwoorden vind je zowel bij sterke als zwakke werkwoorden

Voltooid deelwoord van sterk werkwoord:
- Eindigt op -en (gevonden - gekregen).
- Veranderen niet als ze bijvoeglijk worden - als ze iets over het zelfst. nmw. zeggen - (een gevonden mes, het gekregen cadeau).
- Kortom, ze hebben altijd dezelfde vorm

Voltooid deelwoord van zwak werkwoord:
- Eindigt op -d of -t (verbrand, gestreept)
- Wordt net zo gespeld als andere bijvoeglijke naamwoorden
- Heeft twee vormen, namelijk een korte en een lange vorm.

1. Kort: een verbrand huis - een gestreept truitje, of
2. Lang: met een -e erachter -het verbrande huis - het gestreepte truitje - de verroeste spijker - de verwachte overwinning - de geplette banaan - het gedode konijn

Tip: als je twijfelt omtrent -d of -t moet je het woord verlengen. Dan hoor je vanzelf welke letter je moet gebruiken. De volgende voorbeelden maken dat duidelijk.

Hij is verhuis..

Komt hier een -d of een -t op de plaats van de punt? Maak het woord langer: Hij verhuisde. Je hoort een d-klank, dus schrijf je een -d:

Hij is verhuisd.

Hij heeft gewerk..

Maak het woord langer: Hij werkte. Je hoort een t-klank, dus schrijf je een -t:

Hij heeft gewerkt.

Onvoltooid deelwoord (ook tegenwoordig deelwoord genoemd)
- Wordt ook vaak als bijvoeglijk naamwoord gebruikt.
- Wordt gevormd door achter het hele werkwoord -d of -de te zetten.

Een lopend vuurtje. - Het lopende vuurtje..
Een hinkend hondje. - Het hinkende hondje.

Naar boven
Pleonasme

Er is sprake van pleonasme als we met het éne woord nog eens zeggen wat in een ander woord van de zin reeds opgesloten ligt. Let op: het gaat hierbij niet om synoniemen zoals bij tautologie. (Bij tautologie wordt het gehele begrip twee keer uitgedrukt, bij pleonasme wordt slechts een deel van de begripsinhoud herhaald.) Voorbeelden van pleonasme zijn:

- Een witte schimmel
- Een ronde cirkel
- Bevroren ijs


Naar boven

Redekundig en taalkundig ontleden

Redekundig ontleden
betekent dat je de zin gaat verdelen in ZINSDELEN. Bij zinsdelen moet je denken aan:

persoonsvorm, onderwerp, werkwoordelijk gezegde, naamwoordelijk gezegde, meewerkend voorwerp, lijdend voorwerp, bijwoordelijke bepaling en bijvoeglijke bepaling
.

Taalkundig ontleden is het benoemen van WOORDSOORTEN. Hierbij worden de volgende woordsoorten onderscheiden:

werkwoorden, zelfstandig naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, voornaamwoorden, bijwoorden, lidwoorden, telwoorden, voegwoorden, voorzetsels en tussenwerpsels
.

Ter illustratie de volgende zin:

" Jan gaf mijn collega vanmorgen een warm kopje koffie.

De redekundige ontleding hiervan is:

gaf = persoonsvorm
Jan = onderwerp
gaf = werkwoordelijk gezegde
een warm bekertje koffie = lijdend voorwerp*
mijn collega = meewerkend voorwerp
vanmorgen = bijwoordelijke bepaling

* In het lijdend voorwerp zit nog een zinsdeel opgesloten, namelijk 'warm'. Dat zinsdeel noemt men een bijvoeglijke bepaling. Het zegt iets over het bekertje koffie, namelijk dat het warm is.

De taalkundige ontleding van de zin is:

Jan = zelfstandig naamwoord
gaf = werkwoord
mijn = bezittelijk voornaamwoord
collega = zelfstandig naamwoord
vanmorgen = bijwoord
een = lidwoord
warm = bijvoeglijk naamwoord
bekertje = zelfstandig naamwoord
koffie = zelfstandig naamwoord


Naar boven


Sterke en zwakke werkwoorden

Sterk werkwoord
Een sterk werkwoord verandert bij vervoeging van klank:
- Ik loop - ik liep
- Wij eten - wij aten
- Hij brengt goed nieuws - hij bracht goed nieuws

Zwak werkwoord
Een zwak werkwoord verandert niet van klank bij vervoeging:
- Ik blus de brand - ik bluste de brand
- Hij werkt - hij heeft gewerkt
- José en Iris fietsen - José en Iris fietsten


Naar boven

Samentrekking

Komt voor op:
- Zinsniveau
- Woordniveau en woordgroepniveau

Samentrekking op zinsniveau
Je hebt een zin die bestaat uit twee delen. In elk deel zitten woorden die overeenkomen met elkaar (gemeenschappelijk deel).
Wat je nu gaat doen is in het tweede deel het gemeenschappelijke deel weghalen.

Let wel op: een gemeenschappelijk woord of zinsdeel mag je alleen weglaten als het in beide delen dezelfde functie, dezelfde betekenis en hetzelfde getal (meervoud/enkelvoud) heeft.

Voorbeeld 1
Karel krijgt een boek en Mieke krijgt een cd. Hiervan kun je maken: Karel krijgt een boek en Mieke een cd.

In bovenstaand voorbeeld is 'krijgt' in beide delen de persoonsvorm, dus is er gelijkheid. Ook het getal (enkelvoud) is gelijk. Je mag dus de tweede 'krijgt' weglaten.

Voorbeeld 2
De minister komt naar Den Haag, en de minister opent er een tentoonstelling.

Hier is in beide gevallen 'de minister' het onderwerp. Je mag dus 'de minister' in het tweede deel weglaten. Je krijgt dan:

De minister komt naar Den Haag en opent er een tentoonstelling.

Voorbeeld 3
Dit huis is erg duur en dit huis kunnen we dus niet betalen.

In dit voorbeeld is een samentrekking niet mogelijk. In het eerste deel is 'dit huis' onderwerp. In het tweede deel is 'we' echter het onderwerp. 'Dit huis' is in het tweede deel lijdend voorwerp (wie/wat + gezegde + onderwerp = wat kunnen we niet betalen?: dit huis.) Je mag dus in het tweede deel 'dit huis' niet weglaten. Je moet dus steeds de ontleding nagaan!!

Een laatste voorbeeld
Hier zet men koffie en over (denk bij 'over' aan een veerpont).

Deze samentrekking is fout. De betekenis van 'koffiezetten' en 'overzetten' is verschillend (het gaat hier om het maken van koffie en het brengen van iets of iemand van punt a naar b)

Samentrekking op woordniveau en woordgroepniveau
Ook op woordniveau kom je soms samentrekkingen tegen. Zo kun je de woorden 'invoer' en 'uitvoer' terugbrengen tot 'in- en uitvoer'. Na 'in' plaats je dan een weglatingsteken (-).

Let op: dit teken vervangt alleen een woorddeel (in dit voorbeeld -voer) en nooit een heel woord.

Andere voorbeelden van samentrekking zijn:
- op- en aanmerkingen
- aan- en afvoertroepen

Toch kan er ook op dit niveau iets fout gaan. Kijk daarvoor eens naar het volgende voorbeeld:

Mijn zoon heeft een auto- en brievenbus getekend.

'Bus' is hier het samengetrokken deel. Echter, er is een verschil in betekenis. Samentrekking is dus niet mogelijk.

Naar boven
Tautologie

Tautologie houdt in dat je binnen een zin twee maal hetzelfde zegt door middel van verschillende woorden. Je kunt het zien als een (overbodige) herhaling. Voorbeelden zijn:

- Wie heeft het recht dat te mogen zeggen? Als je het recht hebt, dan mag het bij voorbaat, dus is 'mogen' overbodig.

- Wij zijn genoodzaakt u te moeten ontslaan. Als je genoodzaakt bent, moet je al iets, dus is 'moeten' overbodig.

Soms wordt een tautologie toegepast om iets te beklemtonen. Deze herhalingen zijn ingeburgerd en worden vaak gebruikt zonder er bij na te denken. Voorbeelden daarvan zijn:

- Hoe je het ook wendt of keert...
- Het is geheel en al te wijden aan...
- We moeten paal en perk stellen aan...

Een enkele keer kom je tautologie ook tegen op woordniveau. In dat geval heb je een samenstelling waarvan beide delen synoniem zijn. Je kunt hierbij denken aan:

- Brokstuk
- Doeleinde


Naar boven

Trappen van vergelijking / superlatief

Bij bijvoeglijke naamwoorden, zoals snel, heb je trappen van vergelijking. Er zijn drie trappen:
1) stellende trap (snel)
2) vergrotende trap (sneller)
3) overtreffende trap (snelst)


De vergrotende trap maak je door achter het bijvoeglijk naamwoord -er te zetten: zachter, groter.
De overtreffende trap maak je door achter het bijvoeglijk naamwoord -st te zetten: zachtst, grootst.


Let op!
Bijvoeglijke naamwoorden die eindigen op -r, krijgen bij de vergrotende trap niet -er, maar -der: zwaar - zwaarder.

Er zijn echter een paar uitzonderingen op de bovenstaande regels:

goed - beter - best
veel - meer - meest
weinig - minder - minst



Meest
Woorden op –isch, -sk, -st en –sd krijgen meest in de overtreffende trap, omdat ze eenvoudigweg met –st niet uitspreekbaar zijn. Een paar voorbeelden:

- logisch – logischer – meest logisch (‘logischst’ krijg je wat moeilijk over je lippen, tenzij je een paar liter bier in je lijf hebt zitten)

- bruusk – bruusker – meest bruusk (ook hier kan alleen drankmisbruik je redden: bruuskst)

- gewiekst – gewiekster – meest gewiekst (enzovoort)

- vast – vaster – meest vast

- verbaasd – verbaasder – meest verbaasd


Meer
Het woord meer kun je gebruiken in plaats van –er om zodoende drie toonloze klanken achter elkaar te vermijden:

onvriendelijker wordt meer onvriendelijk
uitdrukkelijker wordt meer uitdrukkelijk

Waar het eigenlijk allemaal op neer komt, is dat je de woorden meer en meest alleen gebruikt bij lange of moeilijk uit te spreken woorden, of om ergens de nadruk op te leggen.


Superlatief

De superlatief is de overtreffende trap van een bijvoeglijk naamwoord (zie pnt. 3).

Naar boven
'Van wie' of 'waarvan

Het kan gebeuren dat je niet weet of je nu 'van wie' of 'waarvan' moet schrijven in een zin als: Het meisje waarvan/van wie ik houd.

De regel die voor deze kwestie gehanteerd wordt, is eenvoudig:

Woorden als waaronder, waaraan, waarvan en waarvoor worden niet gebruikt om naar personen te verwijzen. Bij verwijzing naar personen schrijf je: onder wie, aan wie, voor wie, enzovoort.

De juiste schrijfwijze van de voorbeeldzin is dan ook: Het meisje van wie ik houd.

Nog een paar voorbeelden:
Het meisje met wie ik ga trouwen, staat daar. - Dus niet: Het meisje waarmee ik ga trouwen ...
Hij heeft geen familie naar wie hij toe kan gaan. - Dus niet: Hij heeft geen familie waar hij heen kan gaan.

Naar boven
Voegwoord

Een voegwoord is een verbindingswoord dat woorden, woordgroepen en zinnen met elkaar kan verbinden.

We kennen twee soorten voegwoorden:
1. Nevenschikkende voegwoorden
2. Onderschikkende voegwoorden


Nevenschikkende voegwoord
- verbindt gelijkwaardige elementen met elkaar (twee woorden, twee woordgroepen, twee bijzinnen of twee hoofdzinnen)
* Jan ging met de trein en Ria pakte de auto. (hoofdzinnen)
* Hitte en ontberingen maakten het tot een zware opgave (woorden)
* Hij is een goede echtgenoot en een toegewijde vader (woordgroepen)
* Ik beloof dat ik morgen naar huis kom en dat ik dan begin (twee bijzinnen)

Onderschikkende voegwoord
- verbindt een hoofdzin met een bijzin
- staat steeds aan het begin van een bijzin
* Ik zeg dat ik morgen thuiskom.
* Als hij dat wil, kan hij komen.


Naar boven

Voornaamwoorden

Voornaamwoorden staan voor een zelfstandig naamwoord of bijvoeglijk naamwoord in de plaats. Ze vervangen dus het zelfstandig naamwoord of het bijvoeglijk naamwoord. De voornaamwoorden die je hieronder vindt, zijn:

- Persoonlijk voornaamwoord
- Bezittelijk voornaamwoord
- Vragend voornaamwoord
- Aanwijzend voornaamwoord
- Betrekkelijk voornaamwoord
- Onbepaald voornaamwoord
- Wederkerend voornaamwoord
- Wederkerig voornaamwoord


Persoonlijk voornaamwoord
Persoonlijke voornaamwoorden zijn:
ik, me, mij, je, jij, jou, hij, hem, zij, ze, haar, u, we, wij, ons, jullie, hen, het

- Verwijzen naar zelfstandige naamwoorden: de man - ik heb hem gezien
- Bij 'de'-woorden gebruik je een mannelijk of vrouwelijk pers. vnw (ik heb hem/haar gezien)
- Bij 'het'-woorden gebruik je mannelijk of 'het', tenzij de vrouw centraal staat ) het geweer: hij heeft hem/het gekocht - de vrouw: ik heb haar gezien.


Bezittelijke voornaamwoord

Bezittelijke voornaamwoorden zijn:
mijn, jouw, je, uw, zijn, haar, ons, onze, jullie, uw, hun

- Geven aan van wie iets is
- Staan altijd vóór het bezit waar ze bij horen: mijn paard, zijn auto, jullie huis.

Let op: staat het vnw. áchter het bezit en staat het woord 'van' ervóór, dan is het een pers. vnw.:
Dat paard van mij;
die auto van hem. Dit zijn dus persoonlijke voornaamwoorden.


Vragend voornaamwoord:
wie, wat, welk(e), wat voor (een)

Voorbeelden:
Welk boek is dit; welke taart wil je?; wat voor muziek luister je?; wie gaat er weg?; wat voor (een) auto is dat?


Aanwijzend voornaamwoord
Aanwijzend voornaamwoorden zijn: deze, die, dit, dat, zo'n, zulke

Ze wijzen iets aan: dit huis is groter dan dat huis; deze jongen is slimmer dan die jongen.

-
Bij 'de'-woorden of meervoud gebruik je 'die' of 'deze': Zie je die man? Die heeft een rare jas.
- Bij 'het'-woorden of hele zinnen gebruik je 'dit' of 'dat': Heb je het boek? Ja, dat heb ik.


Betrekkelijke voornaamwoord

Betrekkelijke vnw. zijn: die, dat, wie, wat

- Wijzen meestal terug
- Hebben betrekking op een woord dat eerder genoemd is, het antecedent.

Voorbeelden:
De jongen die daar loopt is mijn vriend. (de jongen = antecedent)
Het meisje dat daar staat heet Eva. (het meisje = antecedent)
Alles wat je doet, wordt hier opgeschreven. (alles = antecedent)


Onbepaald voornaamwoord
Onbepaalde voornaamwoorden zijn: iets, niets, men, alles, ieder, iemand, niemand

- Dulden iets of iemand aan, maar zeggen niet precies over wie het gaat
- Ook 'het' is onb. vnw. als het nergens naar verwijst (het regent)


Wederkerend voornaamwoord
- Duidt dezelfde persoon aan als het onderwerp van de zin

Voorbeelden:
- Ik schaam mij. (mij wijst naar ik)
- Jij schaamt je. (je wijst naar jij)
- Zij schamen zich. (zich wijst naar zij)


Wederkerig voornaamwoord

- Hier is er slechts één van: elkaar

Voorbeeld:
Zij kussen elkaar
.

Naar boven
Voorzetsel

Staat vaak vóór een lidwoord (Na de les ga ik naar huis - tijd)
Duidt vaak een plaats, tijd of richting aan (Ik ga naar Rotterdam - richting)
Heeft vaak geen letterlijke betekenis (Ik werk op de computer - plaats)

Truc
Er is een trucje waarmee je kunt 'testen' of een woord een voorzetsel is. Je moet dan proberen of je het woord vóór 'de kast' of vóór 'de vakantie' kan zetten. Bijvoorbeeld: op de kast, in de kast, tijdens de vakantie, na de vakantie, enz.

Soms werkt deze truc niet. Je kunt dan nog een andere manier toepassen om erachter te komen of je met een voorzetsel te maken hebt of niet. Kijk naar het volgende voorbeeld:

a. Wij gaan morgen naar. (voorzetsel)
b. Ik ga naar boven. (géén voorzetsel) Hier is het een bijwoord.

Bij voorbeeld a heb je het gevoel dat de zin nog niet af is. Bij voorbeeld b is de zin wel af. Voorzetsels staan altijd vóór een groepje woorden, nooit alleen. In zin a is naar dus een voorzetsel, want er moeten nog woorden achter. In zin b is boven géén voorzetsel, want er hoeven geen woorden meer achter.

Naar boven
Voorzetseluitdrukking / vast voorzetsel

Voorzetseluitdrukking
Voorzetsels vind je vaak terug in groepjes. In dat geval worden ze voorzetseluitdrukkingen genoemd. Het zijn vaste uitdrukkingen die gebouwd zijn rondom voorzetsels. Bekende voorbeelden van vaste uitdrukkingen zijn:

- door middel van
- ter attentie van
- als gevolg van

Vast voorzetsel
Veel werkwoorden en zelfstandige naamwoorden hebben eveneens een vast voorzetsel bij zich. Deze voorzetsels hebben geen eigen betekenis. Ze zijn eigenlijk vast verbonden met een ander deel van de zin. Grammaticaal gezien vervult het voorzetsel samen met het erop volgende iets/iemand meestal de functie van voorzetselvoorwerp.

Voorbeelden van dergelijke combinaties zijn:

- aandacht vestigen op iets
- afkomen op iemand
- afstand doen van iets
- bestand zijn tegen iets

- analoog aan iets

Naar boven
Hulpwerkwoord

Hulpwerkwoorden zijn werkwoorden die samen met een ander werkwoord het gezegde vormen. Het zijn tevens de werkwoorden die overblijven als het zelfstandig werkwoord is bepaald. Het hulpwerkwoord kan in drie combinaties gebruikt worden:

1) hulpwerkwoord + infinitief (hele werkwoord): Dat boek zal ik morgen lezen.
2) hulpwerkwoord + voltooid deelwoord: Hij heeft hulp gehad.
3) hulpwerkwoord met te + infinitief: Zij zit te staren (te is hier onmisbaar - Een vergelijkbare functie als het woordje te wordt soms vervuld door de woorden 'aan het': Hij is aan het stoeien.)

Er zijn drie soorten hulpwerkwoorden:

1) hulpwerkwoorden van tijd: hebben, zijn, zullen
2) hulpwerkwoorden van de lijdende vorm: worden, zijn
3) hulpwerkwoorden van modaliteit: willen, mogen, moeten, kunnen


Naar boven

Wederkerend werkwoord

Een wederkerend werkwoord is een werkwoord dat een verbinding aangaat met een wederkerend voornaamwoord. Er zijn twee soorten wederkerende werkwoorden:

1) noodzakelijk wederkerende werkwoorden
2) niet-noodzakelijke wederkerende werkwoorden


Sub 1:
Noodzakelijke wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden die niet zonder een wederkerend voornaamwoord kunnen. Het bekendste voorbeeld is 'schamen'. Hier moet een wederkerend voornaamwoord bij:

- Ik schaam mij
- Jij schaamt je
- Hij schaamt zich
- Zij schamen zich

Tip: zinnen met noodzakelijk wederkerende werkwoorden kunnen niet in de lijdende vorm gezet worden.

Sub 2:
Niet-noodzakelijke wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden die soms wel en soms niet om een wederkerend voornaamwoord vragen:

- zich vermaken / een ander vermaken
- zich stoten / een ander stoten
- zich wassen / de glazen wassen
- zich afborstelen / zijn jas afborstelen


Naar boven

Woordsoorten

Werkwoord (zie: Werkwoord)

Zelfstandig naamwoord (zie: Zelfstandig naamwoord)

Lidwoord (zie: Lidwoord)

Bijvoeglijk naamwoord (zie: Bijvoeglijk naamwoord)

Bijwoord (zie: Bijwoord)

Voornaamwoorden: (zie: Voornaamwoorden)
- Persoonlijk voornaamwoord
- Bezittelijk voornaamwoord
- Aanwijzend voornaamwoord
- Betrekkelijk voornaamwoord
- Vragend voornaamwoord
- Onbepaald voornaamwoord
- Wederkerend voornaamwoord
- Wederkerig voornaamwoord

Voorzetsel (zie: Voorzetsel)

Voegwoord (zie: Voegwoord)


Naar boven

Woordvolgorde

Soms kan de plaats van een woord in een zin vreemde misverstanden opleveren. Kijk maar eens goed naar de volgende zinnen:

1. Morgen hoop ik weer te kunnen voetballen.
2. De twee laatste bezoekers mochten niet meer binnenkomen.
3. Ik hoop niet dat je verkouden wordt.

Op het eerste gezicht lijkt er niet veel aan de hand met de zinnen. Toch klopt er iets niet. In de eerste zin hoopt de spreker natuurlijk op het moment van spreken al dat hij morgen weer kan voetballen. Nu lijkt het alsof hij pas morgen hoopt dat hij (ooit) weer kan voetballen. De juiste zin luidt: Ik hoop morgen weer te kunnen voetballen.

De tweede zin had moeten luiden: De laatste twee bezoekers ... Er kan er tenslotte maar één de laatste zijn.

In de derde zin zit een proleptische ontkenning. Dat betekent in dit geval dat het woord 'niet' te vroeg in de zin is geplaatst. Het lijkt nu namelijk dat er iets niet wordt gehoopt, terwijl je juist wél iets hoopt. De zin had dan ook als volgt moeten luiden: Ik hoop dat je niet verkouden wordt.


Woordvolgorde bij werkwoorden
De volgorde van werkwoorden kent meerdere vormen. Welke dat zijn, hangt af van de taal en van het land. Wij beperken ons hier tot twee vormen:

1. de rode volgorde (Eerst wordt de persoonsvorm geschreven en vervolgens het voltooid deelwoord.)
2. de groene volgorde (Eerst wordt het voltooid deelwoord geschreven en vervolgens de persoonsvorm.)

Voorbeeld:
De afstand die door hem is verlopen. Hier staat de persoonsvorm vóór het voltooid deelwoord, dus is het de rode volgorde.

De afstand die door hem verlopen is. Hier staat het voltooid deelwoord vóór de persoonsvorm, dus is het de groene volgorde.
Beide vormen zijn mogelijk. Vooral in het oosten van het land wordt de groene volgorde gebruikt. De rode volgorde is in de rest van Nederland de meest voorkomende volgorde.

In geschreven tekst komt de rode volgorde vaker voor dan de groene volgorde.

Naar boven
Werkwoord

- Kun je vervoegen - veranderen van persoon, getal en tijd -
* ik loop / jij loopt (persoon)
* ik loop / wij lopen (getal)
* Hij loopt / hij liep (tijd)

Werkwoordsvormen
1. Infinitief (zie: Infinitief).
2. Persoonsvorm (zie: Persoonsvorm)
3. Voltooid deelwoord (zie: Voltooid deelwoord)
4. Tegenwoordig deelwoord (zie: Tegenwoordig deelwoord)

Soorten werkwoorden
Zelfstandig werkwoord
= werkwoord dat in een zin de kern van de handeling of gebeurtenis zelfstandig kan uitdrukken (zie ook: Zelfstandig werkwoord).
Hulpwerkwoord = werkwoord dat overblijft als het zelfstandig werkwoord is bepaald; kan alleen met behulp van andere werkwoorden het gezegde vormen.

Koppelwerkwoord = vormt samen met een naamwoord het naamwoordelijke gezegde. (zie: Koppelwerkwoord)
Wederkerende werkwoord = gaat een verbinding aan met een wederkerend voornaamwoord (zie: Wederkerend werkwoord)

Naar boven

Zelfstandig werkwoord

- Werkwoord dat in een zin met meerdere werkwoorden onmisbaar is
- De andere werkwoorden (hulpwerkwoorden) kunnen wel gemist worden
- Het zelfstandig werkwoord geeft de exacte handeling aan

Hoe je het zelfstandig werkwoord vindt, zie je aan het volgende voorbeeld:

Jan zal een huis willen laten bouwen. (Vraag je af:wat is de pv? Laat dat woord nu weg) Je krijgt dan:
Jan wil een huis laten bouwen.(Vraag je af: wat is de pv? Laat dat woord nu weg) Je krijgt dan:
Jan laat een huis bouwen. (Vraag je af: wat is de pv? Laat dat woord nu weg) Je krijgt dan:
Jan bouwt een huis. 'Bouwt' is het zelfstandig werkwoord.


Naar boven

Werkwoordelijk gezegde en persoonsvorm

- Het werkwoordelijk gezegde bestaat uit álle werkwoorden in de zin.
- Het zegt iets over wat het onderwerp doet.

Voorbeelden:

Vader schrijft een brief
Hij moet er nog meer schrijven
Zou je dat voor me willen doen?
Britney Spears heeft een nieuwe plaat gemaakt.

Binnen het gezegde zit ook de persoonsvorm opgesloten. Die kun je vinden op de volgende wijze:

Persoonsvorm
- Maak de zin vragend. Het werkwoord dat voorop staat is de persoonsvorm.
- Kijk welk werkwoord je in een andere tijd kunt zetten (tegenwoordige tijd/verleden tijd)
- Kijk welk werkwoord je kunt veranderen in getal (enkelvoud/meervoud)

Voorbeelden:
Kelly houdt van muziek: Houdt Kelly van muziek? (vragend maken)
Kelly hield van muziek. (
tijd)
Kelly en Manon houden van muziek.
(enkelvoud/meervoud)

Naar boven
Werkwoorden van Engelse herkomst

1
Als het hele werkwoord min -en eindigt op een klinker, krijgt de verleden tijd -de en het voltooid deelwoord -d.

bingoën – ik bingo – bingode – gebingood.
rugbyen – ik rugby – rugbyde – gerugbyd.

2
Als het hele werkwoord min -en eindigt op een medeklinker, gaat de vervoeging volgens de kofschipregel. Als de medeklinker in 't kofschip zit, krijgt de verleden tijd -te en het voltooid deelwoord -t; in de andere gevallen -de respectievelijk -d. Het gaat hierbij niet om de letters maar om de klanken; in finishen horen we voor de -en een sisklank.

scrabbelen – ik scrabbel – scrabbelde – gescrabbeld
faxen – ik fax – faxte – gefaxt

In de Engelse spelling geeft een e soms de uitspraak van de voorafgaande (mede)klinker aan. Vergelijk her en here. Deze uitspraak-e in de stam blijft staan in de vervoeging.

barbecuen – ik barbecue – barbecuede – gebarbecued
breakdancen – ik breakdance – breakdancete – gebreakdancet

Uitzondering: als de uitspraak-e betrekking heeft op een o-klank, zoals in scoren, verdwijnt die e en wordt de o verdubbeld:

scoren – ik scoor – scoorde – gescoord

In de Engelse spelling geeft een verdubbeling van een medeklinker soms ook de uitspraak van de voorafgaande klinker aan. De dubbele medeklinker verdwijnt als de klank is vernederlandst of ook in het Nederlands voorkomt:

volleyballen – ik volleybal – volleybalde – gevolleybald
yellen – ik yel – yelde – geyeld

Soms is het onduidelijk of de klank voorafgaand aan -en tot 't kofschip behoort. Sommige taalgebruikers spreken in leasen een s uit, andere een z. In briefen en golfen zeggen sommigen een /f/, anderen een /v/. In zulke gevallen zijn beide vervoegingen mogelijk:

leaste/leasde
gegolft/gegolfd

3
Werkwoorden die met een klinker beginnen, krijgen een trema bij het voltooid deelwoord (geen koppelstreepje).

uploaden – ik upload – uploadde – geüpload
e-mailen – ik e-mail – e-mailde – geë-maild

Naar boven

Naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde zegt iets over de situatie van het onderwerp (je kunt zeggen dat het een toestand uitdrukt), namelijk:

- Wát het onderwerp is, blijft of wordt (Verwar dit niet met het werkwoordelijk gezegde. Het wwg zegt wat het onderwerp doet.)

Het nwg bestaat uit een koppelwerkwoord (en soms nog meer werkwoorden) = het werkwoordelijk deel én een naamwoord = het naamwoordelijk deel.

Koppelwerkwoorden zijn:
zijn (is), worden, heten, blijven, schijnen, lijken, blijken, dunken en vóórkomen


Je vindt het nwg door jezelf de volgende vraag te stellen: 'Wat is/blijkt/schijnt/etc. het onderwerp?'

Voorbeelden:

Jan is ziek - 'is' = werkwoordelijk deel; 'ziek' = naamwoordelijk deel
Vroeger was hij gitarist - 'was' = werkwoordelijk deel; 'gitarist' = naamwoordelijk deel
Zijn vrouw blijkt aardiger - 'blijkt' = werkwoordelijk deel; 'aardiger' = naamwoordelijk deel

Let op: 'Jan is in de tuin' heeft geen naamw. gez. omdat 'is' hier de betekenis heeft van 'zich bevinden'.
Hetzelfde geldt voor de zin: 'De leraar zit achteraan in de zaal'.

Tip: Als je twijfelt of je met een koppelwerkwoord te maken hebt, probeer dan het woord te vervangen. Lukt dat, dan is er sprake van een koppelwerkwoord. Kijk maar naar het volgende voorbeeld:

De kaars is wit
De kaars blijft wit


Naar boven

Koppelwerkwoord

Koppelwerkwoorden zijn: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken, vóórkomen.

Het is een werkwoord waarvan de zelfstandigheid ontbreekt. Het is gekoppeld aan een ander woord of andere woorden (zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord of een combinatie van die twee). Dan pas kan het de functie van werkwoord vervullen.
-Stel jezelf de vraag wat er met het onderwerp is. Indien die vraag nodig is, blijkt dat er een koppelwerkwoord aanwezig is.

V
oorbeelden:
Dat bedrijf is failliet. (Dat bedrijf is… zegt niets.)
Hij blijkt een slechte verliezer. (Hij blijkt… zegt niets.)


Tip: als je twijfelt of je met een koppelwerkwoord te maken hebt, probeer dan het woord te vervangen. Lukt dat, dan is er sprake van een koppelwerkwoord. Kijk maar naar het volgende voorbeeld:

Het gordijn is wit.
Het gordijn blijft wit
.

Naar boven

Lijdend voorwerp

Het lijdend voorwerp vind je door de volgende formule toe te passen:

Wie of wat + gezegde + onderwerp

Voorbeelden:
Ook volwassenen lezen tegenwoordig strips = Wat lezen volwassenen? = strips
Tom Poes helpt deze heer van stand = Wie helpt Tom Poes? = deze heer van stand

Geen sprake van een lijdend voorwerp is er als:

- Een zinsdeel begint met een voorzetsel (Hij houdt van aardbeien.)
- Er een vorm van 'zijn' of 'worden' in de zin staat (Karin is ziek) (Jan wordt goochelaar)

Toch nog twijfel?

Twijfel je nog steeds of iets wel of niet een lijdend voorwerp is, dan kun je dat testen door de passiefproef te doen. Bij zo'n proef herschrijf je de zin. Je zet dan het lijdend voorwerp voorop in de zin en je maakt het ook nog eens het onderwerp. Daarnaast voeg je een vorm van 'worden' of 'zijn' toe én vervolgens het woordje 'door'. Het gaat als volgt:

Veronderstel, je hebt de volgende (actieve) zin: De boer melkt de koe.

In deze zin is de koe het lijdend voorwerp, want: wie/wat + gezegde + onderwerp = de koe
Maak nu een nieuwe zin waarbij je het lijdend voorwerp voorop zet. Je begint je zin dus met: De koe... Dit wordt dan meteen het onderwerp.
Vervolgens voeg je een vorm van 'worden' of 'zijn' toe. In dit geval nemen we het woord 'wordt'. Je krijgt dan:

De koe wordt... (De koe = onderwerp, wordt = persoonsvorm)

Voeg nu het woordje 'door' toe, gevolgd door de boer (het onderwerp in de actieve zin) .

Je hebt nu een bijwoordelijke bepaling toegevoegd (door de boer). Je hebt nu:

De koe wordt door de boer...

Nu hoef je er alleen nog maar het woord 'gemolken' achteraan te plakken. De passieve zin luidt dan:

De koe wordt door de boer gemolken.

Je hebt de zin nu veranderd van een actieve zin naar een passieve zin.

Wat opvalt is dat je het woordje 'door' hebt toegevoegd. Dat woord tezamen met 'de boer' vormt een bijwoordelijke bepaling.
Wat je ook hebt toegevoegd is een vorm van 'worden' of 'zijn'. In dit geval heb je 'wordt' toegevoegd.

Samenvattend kun je dus zeggen dat je een actieve zin (met lijdend voorwerp) kunt omzetten in een passieve zin door:
- het lijdend voorwerp voorop te zetten en het ook nog eens onderwerp te maken en
- een vorm van 'worden' of 'zijn' toe te voegen en
- het woordje 'door' voor het in de actieve zin zijnde onderwerp te plaatsen (dus er een bijwoordelijke bepaling van te maken)


Naar boven

Samenstelling en afleiding

Samenstelling
Je kunt van twee of meer woorden één woord maken. Zo'n woord heet dan een samenstelling. Zo'n combinatie wordt als eenheid, als geheel gezien. Het eerste deel van de samenstelling heeft meestal de functie van soortaanduider bij het tweede deel. Voorbeelden van samenstellingen zijn:

water-meloen - fietsen-rek - voetbal-schoen
- lange-termijn-gevolg, prentbriefkaartententoonstelling

Afleiding

Je kunt ook een voor- of achtervoegsel aan een bestaand woord (het grondwoord) toevoegen. Dit heet een afleiding.

Voorbeelden van een voorvoegsel zijn: on-getrouwd, on-menselijk
Voorbeelden van een achtervoegsel zijn: bekend-heid, laks-heid, bedacht-zaam

De voor- en achtervoegsels hebben een betekenis. Voorbeelden van de globale betekenis van sommige soorten toevoegsels zijn:
- on = niet (onbekend)
- achtig = ongeveer (zenuwachtig)
- ver = verkeerd (vermist)
- wan = slecht (wanklank)
- her = opnieuw (heropvoeden)
- baar = kan worden (bereikbaar)
- be = voorzien van (bebossen)
- loos = zonder (pijnloos)

Naar boven
Tangconstructie

Van een tangconstructie is sprake wanneer er tussen twee delen die bij elkaar horen veel 'ruimte' zit.

Voorbeeld
Zijn vriendin gaf hem
vanavond voordat hij naar zijn moeder ging, een kus.

Je ziet hier dat de bij elkaar horende (witgemarkeerde) delen ver van elkaar verwijderd zijn. De twee delen vormen als het ware een tang.

Zo'n constructie komt de leesbaarheid vaak niet ten goede. Het duurt dan ook erg lang voordat je bij de kern van de zin bent. Beter is om de zin als volgt te schrijven:

Zijn vriendin gaf hem vanavond een kus, voordat hij naar zijn moeder ging.


Naar boven

Tussenletter -e(n) of -s

Samenstellingen zijn gemaakt van meerdere woorden. Soms zit er tussen twee gekoppelde woorden een tussenletter. Deze tussenletter is meestal een -e of een -s.


De -e als tussenletter gebruik je:

- als het eerste deel geen zelfst. nmw. is (rodekool)
- als het eerste deel geen meervoud heeft (rijstepap)
- als het eerste deel meervoud heeft op -s (horlogemaker - want het meervoud is horloges)

Letter -n toevoegen aan letter -e
Soms voeg je aan de -e nog de letter -n toe. Dat doe je als:
- het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat in meervoud op -en eindigt: boerendochter - fietsenmaker


De tussen-n-regel is overigens deels veranderd. Bij de oude spelling mocht er geen -n worden toegevoegd aan samenstellingen waarvan het eerste deel een dierennaam was terwijl het tweede deel een plantkundige aanduiding bevatte, zoals paardebloem en kattekruid. Bij de nieuwe spelling plaats je in dit geval de -n wel: paardenbloem - kattenkruid. Tja, men moet wat om het leven van zo'n doodsaaie taalpurist te voorzien van enige opwinding.

De -s als tussenletter
In samenstellingen schrijf je de tussenletter -s- als het eerste woord niet op een sisklank eindigt en het tweede woord niet met een sisklank begint, terwijl je tussen de twee delen wel een -s hoort:

bakkersroom, moederskindje, meningsverschil, stadsdeel, verlovingstijd, huwelijksadvertentie.

Je schrijft tevens een tussen-s in samenstellingen waarvan het tweede deel met een sisklank begint. In dit geval kun je niet op je gehoor afgaan. Toch kun je controleren of er een -s geschreven moet worden. Kies een andere samenstelling waarvan het tweede woord niet met een -s begint. Een voorbeeld.

Is het nu stationchef of stationschef? Het antwoord is simpel. Kies een andere samenstelling, bijvoorbeeld stationshal. Je ziet (en hoort) een tussen-s, dus is het antwoord op je vraag: stationschef.


Let op: Er zijn veel samenstellingen waarin de een wel een tussen-s uitspreekt en de ander niet. Die samenstellingen kun je op twee manieren schrijven. Voorbeelden hiervan zijn:

dood(s)klap, drug(s)baron, handel(s)maatschappij, inkoop(s)prijs, spelling(s)controle, tijd(s)verschil, voorbehoed(s)middel, wet(s)tekst.


Geen tussenletter

Soms gebruik je geen tussenletter: deurbel - prikklok - automonteur

Vuistregels

Wel een tussen-s:
als het woord eindigt op -waardig, -waard, -gewijs, -halve: lovenswaardig, zienswaard, sprongsgewijs, veiligheidshalve;
als het eerste woorddeel eindigt op -heid, -ing of -teit: gezondheidseffect, aanbiedingsprijs, universiteitsblad, medewerkerstevredenheidsonderzoek;
als het eerste deel een mannelijke persoonsaanduiding is op -er, -eur, -ier of -aar en een meervoud op -s heeft: werknemersorganisatie, adviseursfunctie, koeriersdienst, kunstenaarscafé;
als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat begint met be-, ge- of ver-: bedieningspost, gebedshuis, vernieuwingsdrift (uitzonderingen zijn onder andere geheimschrift en verbanddoos).

Geen tussen-s:
als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat niet verwijst naar een levend wezen en (ook) een meervoud heeft op -s: motorboot, televisieprogramma, theatergezelschap;
als het eerste deel een zelfstandig naamwoord is dat eindigt op -ier en geen persoon aanduidt: alvleesklierontsteking, spierkracht;
als het eerste deel een werkwoordstam is: babbelkous, loopafstand, rekenhulp (uitzonderingen: leidsman, scheidsrechter);
als het woord eindigt op -schap (in de betekenis ‘hoedanigheid, het zijn van’): blijdschap, slachtofferschap;
als het eerste woorddeel een stof aanduidt en niet telbaar is: aluminiumfolie, bierglas, koffieboon (maar wel meestal houtskool, bloedsomloop).

Naar boven

Synoniemen en homoniemen

Synoniemen
-Synoniemen zijn meerdere woorden met dezelfde betekenis: 'huis' en 'woning', 'fiets' en 'rijwiel'. Vaak vind je ze bij kruiswoordpuzzels.
- Soms vind je ze ook op zinsniveau (maar... soms is dan de ene uitdrukking gewoner dan de andere):

'Deze persoon gedroeg zich verdacht.' wordt 'Die vent deed iets geks'.

Homoniem
Een homoniem is één woord met twee of meerdere betekenissen: 'bank', 'arm', 'loop':

Ik ga op de bank liggen. - Mijn spaargeld staat op de bank.
Hij brak zijn arm. - Dat gezin is arm.
Ik loop op straat - De loop van het geweer is krom.


Naar boven

Tante Betje

Een tante Betje is een stijlfout. De naam is afkomstig van taalcriticus Charivarius, die de fout vaak aantrof in de brieven van zijn tante Betje.

De tante-Betjeconstructie komt voor als twee hoofdzinnen aan elkaar gekoppeld zijn met en, want of maar en in de tweede hoofdzin ten onrechte inversie wordt toegepast of gesuggereerd (inversie is het omdraaien van de volgorde onderwerp - persoonsvorm).
Simpel gezegd: tante Betjes zijn zinnen waarin het onderwerp ten onrechte na de persoonsvorm wordt geplaatst.

Er zijn drie typen tante-Betjezinnen:

1. Zinnen zonder inversie in de eerste hoofdzin en met inversie in de tweede:

We gaan straks naar de Efteling en komen we pas laat in de avond thuis.
Zulke tante Betjes zijn opvallend. Ze komen echter niet vaak voor.

2. Zinnen met inversie in de eerste en de tweede hoofdzin:

Met genoegen deel ik u mee dat u een prijs hebt gewonnen, en hoop ik dat u bij de prijsuitreiking aanwezig bent.

De inversie in de tweede hoofdzin suggereert dat het zinsdeel dat de inversie in de eerste hoofdzin veroorzaakt ('met genoegen') in de tweede ingevuld moet worden ('met genoegen hoop ik ...'). De zin klopt grammaticaal wel, maar de betekenis is onjuist.

3. Zinnen met inversie in de eerste hoofdzin en gesuggereerde inversie in de tweede:
Volgende maand gaan we verhuizen en (..) moeten nu alvast een nieuw bed uitzoeken.
Hier is in de tweede zin het onderwerp ten onrechte weggelaten.

Naar boven

Tussenwerpsel

Een tussenwerpsels is een uitroepend of klanknabootsend woord (of een combinatie van woorden) dat los staat van de zin.

Voorbeelden van klanknabootsing:
- Pats, die klap is voor jou!
- Plons, en daar lag hij in het water.
- Roets, weg was de haas.

Voorbeelden van uitingen van het gevoel:
- Au, dat deed zeer.
- Bah, wat een vieze taart.
- Dat is mooi, he.

Voorbeelden van seinen:
- Pst, luister eens.
- Halt, tot hier en niet verder!
- Ho, dat gaat zo maar niet.


Naar boven

Hun of hen - als of dan - dat of wat - daarom of daardoor - omdat of doordat

Wanneer zeg je 'hen' en wanneer zeg je 'hun'?


Tip: verander het woord 'hen' in 'mij' en het woord 'hun' in 'mijn'. Dan hoor je of je hen of hun moet schrijven. Bij hun en mijn moet er dan nog een woord achter komen omdat het bezittelijke voornaamwoorden zijn:

De politie zet hen in de gevangenis.
- De politie zet mij in de gevangenis.
- De politie zet mijn in de gevangenis. (Klinkt fout plus dat er nog een woord achter moet, dus is fout.)

Soms is hun tóch een persoonlijk voornaamwoord en geen bezittelijk voornaamwoord. Daarom de onderstaande algemene richtlijnen voor hen en hun.

Hen
Hen gebruik je als het woord de functie heeft van lijdend voorwerp:

- Ik zie hen lopen. (Wie zie ik lopen? Hen.)
- Ik heb hen gezien.
(Wie heb ik gezien? Hen.)

Tevens gebruik je hen na een voorzetsel:

- Ik geef het boek aan hen.
- Ik zong het lied voor hen.
- Ik ging naast hen zitten.

Hun
Hun gebruik je als het woord de functie heeft van meewerkend voorwerp waar géén voorzetsel voor staat:
- Ik heb hun het boek gegeven.
- Ik deel het hun mee.

Tip: je hebt met een meewerkend voorwerp te maken als je 'hun' kunt vervangen door 'aan hen'.

- Ik heb hun het boek gegeven. (Ik heb aan hen het boek gegeven.)
- Ik deel het hun mee. (Ik deel het aan hen mee.)

Hun gebruik je tevens wanneer het woord als bezittelijk voornaamwoord wordt gebruikt:

- Hun paard sloeg op hol.
- Hun huis is groot.

Tip: Als in de zin de klemtoon ligt op hen of hun én het betreft personen, dan kun je hen of hun vervangen door het woord ze:

- Je hebt hen te pakken. - Je hebt ze te pakken.
- Ik heb hun een gebakje gegeven. - Ik heb ze een gebakje gegeven.


Met hen of hun kun je niet naar zaken verwijzen. Je kunt dus niet zeggen:

Mijn voetbalschoenen, waar heb je hen/hun gezien?

Zodra je naar zaken verwijst, gebruik je het woord die - als daar de klemtoon op ligt - of het woord ze:

Mijn voetbalschoenen, waar heb je die/ze gezien?

Wanneer zeg je 'dat' en wanneer zeg je 'wat'?

- Dat slaat op iets bepaalds
- Wat slaat op iets onbepaalds of op een hele zin.

Twee voorbeelden:
David sprak de halve dag over het contract, wat Rachel onnodig vond.
David sprak de halve dag over het contract dat Rachel onnodig vond.

In de eerste zin verwijst het woord wat naar de gehele zin voor de komma. Rachel vindt het onnodig dat David zo lang sprak over het contract. Misschien was dat wel omdat Rachel het contract al uitgebreid had bestudeerd.

In de tweede zin verwijst het woord dat alleen maar naar het contract. Rachel vindt het bestaan van dat contract niet nodig.

Nog twee zinnen:

Het duo veranderde het voorstel dat we goed vonden.
Het duo veranderde het voorstel, wat we goed vonden.

In de eerste zin verwijst 'dat' naar 'het voorstel'. Dát voorstel vonden we goed.
In de tweede zin verwijst 'wat' naar de gehele zin voor de komma. Wij vonden het goed dat het duo het voorstel veranderde.

Let op: woorden als alles, enige, dat(gene) en iets kun je als onbepaald zien. In die gevallen gebruiken we 'wat'.

Zij heeft alles gedaan wat in haar vermogen lag. (nu staat 'alles' in de zin (= onbepaald), dus 'wat')
Dat wat je nu zegt, is volstrekt onjuist. (hier staat 'Dat' in de zin (= onbepaald), dus volgt 'wat')
Is er nog iets wat nu besproken moet worden? (hier wordt het woord 'iets' gebruikt (= onbepaald), dus 'wat')


Wanneer zeg je 'daarom' of 'daardoor' én wanneer zeg je 'omdat' of 'doordat'?

- Daarom geeft een reden aan
- Daardoor geeft een oorzaak aan
- Omdat geeft een reden aan
- Doordat geeft een oorzaak aan

- Bij een reden staat de menselijke wil voorop; jij of iemand anders kiest ergens voor.
- Bij een oorzaak heb je het zelf niet in de hand. Het overkomt je.

De scholiere kwam te laat omdat ze geen zin had in scheikunde. (reden)
De scholiere had geen zin in scheikunde. Daarom kwam ze te laat. (reden)
De scholiere kwam te laat doordat ze betrokken was bij een ongeluk. (oorzaak)
De scholiere was betrokken bij een ongeluk. Daardoor kwam ze te laat. (oorzaak)

Wanneer zeg je 'als' en wanneer zeg je 'dan'?

- Zodra er 'zo' staat, gebruik je 'als':

Net zo groot als...; niet zo groot als...; driemaal zo groot als...; bijna zo groot als...

- Bij 'hetzelfde'/'dezelfde' gebruik je 'als':

Dezelfde hoeveelheid als ...

- Bij 'even' gebruik je 'als':

Even groot als ...

- Bij de vergrotende trap gebruik je 'dan':

Groter dan, beter dan, meer dan ...

Naar boven

Voorzetselvoorwerp

Een voorzetselvoorwerp begint altijd met een vast voorzetsel. (Er is sprake van een vast voorzetsel, als het zelfstandig werkwoord van de zin in een bepaalde betekenis maar met één voorzetsel gecombineerd kan worden.)
Het voorzetsel verbindt het voorzetselvoorwerp met het gezegde.

- Ik twijfel aan zijn inzet (twijfelen aan...) (weglaten van het voorzetsel 'aan' is onmogelijk)
- Ik ben niet tevreden met deze auto (tevreden zijn met...) (weglaten van het voorzetsel 'met' is onmogelijk)
- Ik verlang al tijden naar de zomervakantie (verlangen naar...) (weglaten van het voorzetsel 'naar' is onmogelijk)
- Ik waarschuwde hem voor de gevolgen (waarschuwen voor...) (weglaten van het voorzetsel 'voor' is onmogelijk)

Let op!
Als het zinsdeel dat begint met een voorzetsel een plaats aangeeft, is het een bijwoordelijke bepaling:

- Zij stonden voor een gesloten deur.
- Zij wacht op het plein.
- Hij werkt op zaterdag in de supermarkt.


Naar boven

Wijzen

Met 'wijs' wordt eigenlijk een manier van zich uitdrukken bedoeld. Met behulp van een werkwoord kan op een bepaalde manier aangegeven worden hoe een zin zich volgens de spreker verhoudt tot de werkelijkheid. Hieronder worden drie wijzen (nee, niet die uit het oosten) behandeld.

1.
Aantonende wijs (indicatief)
2.
Aanvoegende wijs (conjunctief)
3. Gebiedende wijs (imperatief)

Aantonende wijs
Deze wijs wordt gebruikt om een werkelijkheid uit te drukken. Het is de meest voorkomende vorm. Je drukt iets algemeens en neutraals ten opzichte van de werkelijkheid uit.

Voorbeelden zijn:
- Het is stil
- Hij rust uit


Aanvoegende wijs
Deze wijs wordt gebruikt om een niet-werkelijkheid uit te drukken: een wens. Deze wijs komt overigens heel ouderwets over. Je zult de aanvoegende wijs dan ook niet veel tegenkomen.

Voorbeelden zijn:
- Dat hij ruste in vrede
- Leve de koningin
- Moge het stil worden


Opvallend is hier de vervoeging van het werkwoord. De uitgang -e is kenmerkend voor de aanvoegende wijs.


Gebiedende wijs
De gebiedende wijs wordt gebruikt om een bevel of een dringend verzoek uit te drukken.

- Bij deze wijs staat de persoonsvorm voorop.
- Er is (meestal) geen onderwerp aanwezig bij gebiedende wijs
- Bij gebiedende wijs schrijf je de persoonsvorm als stam
- De persoonsvorm kun je niet in de verleden tijd zetten



Voorbeelden zijn:
- Kom onmiddellijk terug!
- Trek je jas aan.
- Wees stil.

- Kom van dat dak af

Naar boven

Werkwoordstijden

De werkwoordsvorm in een zin geeft onder andere informatie over tijd. Hieronder volgt een algemene beschrijving van het tijdsaspect van werkwoordsvormen. De beschreven vormen zijn:

1. Praesens oftewel onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)
2. Imperfectum oftewel onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)
3. Perfectum oftewel voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)
4. Plusquamperfectum oftewel voltooid verleden tijd (v.v.t.)

Praesens/Onvoltooid tegenwoordige tijd (o.t.t.)

Deze vorm gebruik je als je:

A. een handeling of situatie wilt beschrijven die nu, op dit moment gebeurt (momentane aspect):

- Ik schrijf een boek.
- Ik deel je mee dat ik nog steeds hier ben.


B. Als er sprake is van een blijvende (duratieve aspect) of steeds terugkerende handeling of situatie (iteratieve aspect):

- Ik kijk iedere dag naar GTST.
- Parijs is de hoofdstad van Frankrijk.
- Jan kijkt nooit televisie.


C. Als er wordt verwezen naar een situatie in de toekomst (futurum):

- Hij vertrekt over tien minuten.
- Zij krijgen binnenkort een bonus.


D. Soms gebruik je o.t.t. terwijl je zaken meedeelt die in het verleden zijn gebeurd. In dat geval betreft het plotselinge, schokkende of onverwachte gebeurtenissen (praesens historicum):

- Gisteren ben ik in het stadion geweest. Komt daar plotseling een hooligan op mij af. Voor ik er erg in heb, grijpt hij me vast. Ik geef hem een klap op zijn neus. Nou ja, bang was ik toch!

Imperfectum/Onvoltooid verleden tijd (o.v.t.)

Deze vorm gebruik je in de volgende gevallen:

A. Je beschrijft vanuit het heden een gebeurtenis of handeling die plaats vond in het verleden:

- Ik stond bij de bushalte, toen daar plotseling iemand een kop koffie over mijn trui uitgoot.
- Ik kreeg bij dat debat weinig bijval.


B. Voor beschrijving van een steeds terugkerende situatie, handeling of gewoonte uit het verleden:

- Ik bezocht mijn opa wekenlang iedere dag.
- Rond 1750 droeg de Franse adel graag pruiken.


C. In tekstfragmenten waarin een reeks van opeenvolgende handelingen in het verleden op een rij gezet zijn, gebruik je consequent de o.v.t.:

- Toen hij zat te eten, ging plotseling het licht uit. Even later verscheen de elektricien, die luid op de deur klopte. Die meende dat hij kortsluiting veroorzaakt had.

D. Als in de hoofdzin de persoonsvorm in de o.v.t. staat, moet je de persoonsvorm in de bijzin aanpassen:

- Hij vroeg of ik morgen kwam.
- Hij vertelde dat er geen oplossing was voor zijn probleem.


Perfectum/Voltooid tegenwoordige tijd (v.t.t.)

Deze vorm wordt in principe gebruikt voor het aanduiden van een situatie of handeling in het verleden die afgelopen is:

- Nederland is ooit de machtigste handelsnatie van de wereld geweest.
- Gisteren heeft hij de televisie uit het raam gesmeten.


Plusquamperfectum/voltooid verleden tijd (v.v.t.)

De v.v.t. wordt gebruikt als men zich in gedachten plaatst op een tijdstip in het verleden en van daaruit terugkijkt op een, in een nog vroeger verleden voltooide handeling:

- Voor vijftig euro had ik die klus wel geklaard.
- Hij was naar zijn moeder geweest.


Naar boven

Zelfstandig naamwoord
Zelfstandige naamwoorden zijn: namen van mensen, dieren en dingen.

Kenmerken
1. Je kunt er meestal een lidwoord (de, het of een) voor zetten:
- de bal, het huis, een fiets
2. Je kunt er meestal een verkleinwoord van maken:
- balletjes, huisjes, fietsjes
3. Je kunt het meestal in meervoud gebruiken:
- ballen, huizen, fietsen

En verder ...

- soms moet je nog een klinker plus -en toevoegen (hok = hokken)
- soms moet je een klinker weghalen en -en toevoegen (straat = straten, laan = lanen)
- soms moet je een letter vervangen door een andere letter (huis = huizen, golf = golven)
- soms moet je een -s toevoegen (bureau = bureaus, etalage = etalages)
- soms staat er voor de toegevoegde -s een apostrof (als het woord verkeerd gaat klinken: regio's i.p.v. regios, accu's i.p.v. accus)

Naar boven

Zwaarwichtig taalgebruik

Het komt helaas maar al te vaak voor dat teksten onbegrijpelijk zijn als gevolg van een woordgebruik waar geen touw aan vast is te knopen. Vooral in de politiek en ambtenarij maak je dat veel mee. Maar ook de managerswereld kent zo zijn (idiote) taalgebruik, ook wel vakjargon genoemd. Wat te denken van:

Als owner moet ik nog deze maand mijn targets halen, omdat ik anders niet meer voldoe aan de business requirements. Harder werken is dan ook de key om aan ontslag te ontkomen.

Wat deze afdelingschef eigenlijk wil zeggen, is dat hij als verantwoordelijke nog deze maand zijn door zijn baas opgelegde doelen moet halen omdat hij anders niet voldoet aan de eisen die het bedrijf aan hem stelt. Harder werken is dan ook van groot belang om niet te worden ontslagen.

In mijn optiek zijn er drie oorzaken aan te wijzen die leiden tot zwaarwichtig taalgebruik:

1. Proberen 'interessant' te lijken, te lullen en te doen (de manager);
2. Het hebben van een ernstig gebrek aan creativiteit in combinatie met het vertonen van kuddegedrag en het dragen van oogkleppen (ambtenaren);
3. 'Vergeten' dat er mensen zijn die meer baat hebben bij gewonemensentaal dan bij niet door te worstelen boeken (zoals het voor velen onbegrijpelijke boek Grammatica van het Nederlands van Frida Balk - Smit Duyzendkunst).

Mijn advies aan bovenstaande 'taalkunstenaars': doe niet zo verdomde Nederlands.

Naar boven

Nieuwe spelling

Sinds 1 augustus 2006 is de nieuwe Woordenlijst Nederlandse Taal de wettelijke spellingnorm voor onderwijs en overheid. De belangrijkste veranderingen ten opzichte van de vorige norm, zijn:

1. De tussen-n-regel

Samenstellingen van het type dier-plant, zoals paardebloem en kattekruid krijgen nu wel een tussen-n, dus: paardenbloem en kattenkruid.

2. Aan elkaar, los of met een streepje

Als het niet nodig is, hoeven er geen streepjes gezet te worden.

Letterwoorden (afkortingen die je als woord uitspreekt) schrijf je zonder streepje aan het volgende woord vast: vipruimte, latrelatie.

Woorden met een voorvoegsel

Latijnse en Griekse voorvoegsels schrijf je aan het woord vast: locoburgemeester, coauteur. Een uitzondering op deze regel is, wanneer twee klinkers op elkaar botsen: co-existentie, re-integratie.

Woorden met een tweedelige naam erin

Middellandse-Zeegebied wordt Middellandse Zeegebied, Tweede-Kamerlid wordt Tweede Kamerlid. 1-aprilgrap wordt 1 aprilgrap. Bij dit laatste geval adviseer ik toch om de oude regeling (het streepje) te gebruiken, daar het verwarring kan veroorzaken. Een voorbeeld: 20 jarige mannen lijken de puberteit nog lang niet achter zich te hebben gelaten.

Gaat het hier nu om twintig mannen die jarig zijn of om mannen in de leeftijd van twintig jaar?

3. Hoofdletters en kleine letters

Tijdperken krijgen een kleine letter: Middeleeuwen wordt middeleeuwen
Feestdagen krijgen hoofdletters: Vaderdag, Bevrijdingsdag.
Namen van volkeren krijgen meestal een hoofdletter, ook als ze niet zijn afgeleid van een aardrijkskundige naam: Eskimo, Jood, Arabier.
Bij een andere betekenis krijgen deze woorden geen hoofdletter: arabier (paardenras), jood (aanhanger van het joods geloof).
Verzamelnamen voor volkeren krijgen een kleine letter: zigeuners, indiaan, bedoeïen.

Woorden gebaseerd op een persoonsnaam

Persoonsnamen zoals Kafka, Calvijn, Victoria en Luther houden hun hoofdletter, maar van die naam afgeleide woorden krijgen een kleine letter: kafkaiaans, luthers, victoriaans, calvinistisch.
Ook samengestelde woorden met de naam van een uitvinder, ontdekker of andere naamgever krijgen een kleine letter: alzheimerkliniek, montessorischool.

Ingeburgerde afkortingen krijgen een kleine letter: btw, cao, hiv.

Naar boven

De of het

Er zijn nauwelijks regels voor het gebruik van de lidwoorden de en het. Vaak biedt een woordenboek uitkomst als je niet weet welk lidwoord je moet gebruiken. Wat je in zo’n geval moet doen, is kijken of het een onzijdig óf een mannelijk of vrouwelijk woord is. (Zie ook: geslacht)

Gaat het om een onzijdig woord, dan gebruik je het lidwoord het. Bij vrouwelijke of mannelijke woorden gebruik je het lidwoord de. Enkele voorbeelden:

Onzijdige woorden:
bloempje – het bloempje is prachtig
ontslag – het ontslag wordt aangevochten
Europa – het Europa van tegenwoordig is veel moderner

Mannelijke of vrouwelijke woorden
bakker – de bakker werkt zich rot
leugenaar – de leugenaar is ontmaskerd
winst – de winst is aanzienlijk
liefde – de liefde van haar leven

Zowel de als het (zonder betekenisverschil)
Soms kun je zowel de als het schrijven. Vaak draait het dan om verschillende dialecten, of om verschillen tussen Vlaanderen en Nederland. In alle gevallen is de betekenis van het woord hetzelfde. Enkele voorbeelden:

matras – het matras – de matras
aanrecht – het aanrecht – de aanrecht
animo – het animo – de animo
kaft – het kaft – de kaft

Zowel de als het (mét betekenisverschil)
In een aantal gevallen geeft het lidwoord betekenisverschil. De betekenis van het woord bepaalt of het een onzijdig óf een mannelijk of vrouwelijk woord is. Een paar voorbeelden:

de portier (beroep) – het portier (autodeur)
de veer (vogel) – het veer (pont)
de idee (filosofisch) – het idee (inval)
de punt (leesteken) – het punt (kwestie, plaats)

Zowel de als het (verschil in taalsfeer)
Soms bepaalt de sfeer rondom de taal of je de of het gebruikt. Een voorbeeld:

Positief
Wie de mens achter Willem Oltmans kent, weet dat er een beminnelijke man achter hem schuilgaat.

Negatief
Mijn ex-schoonmoeder was verschrikkelijk. Het mens bemoeide zich overal mee.


De of het bij afkortingen
Bij afkortingen bepaalt het kernwoord van de afkorting welk lidwoord je gebruikt. Een paar voorbeelden:

KNVB – kernwoord is bond. Bond is mannelijk, dus gebruik je het lidwoord de.
FNV – kernwoord is federatie. Federatie is vrouwelijk, dus gebruik je het lidwoord de.
CNV – kernwoord is verbond. Verbond is onzijdig, dus gebruik je het lidwoord het.

De of het met overtreffende trap
Bij de overtreffende trap dien je te kijken naar het gebruik van het woord: bijvoeglijk of zelfstandig.

De Rotterdamse haven vind ik de belangrijkste van deze bespreking.

In deze zin is de Rotterdamse haven het belangrijkste punt om te bespreken. Achter het woord belangrijkste kun je het woord haven toevoegen. Het is bijvoeglijk gebruikt.

De Rotterdamse haven vind ik het belangrijkst van deze bespreking.

In deze zin is de Rotterdamse haven het belangrijkste van alle havens. Het is zelfstandig gebruikt.

Bij zelfstandig gebruik blijft de -e meestal achterwege.

Naar boven